Category Archives: Middle East Conflict

A foreign policy folly

De slachtpartij in Gaza is het failliet van buitenlandse zaken. Amerika doet niets om de grondoorzaken aan te pakken: Israëls bezetting en kolonisatie van de West-Bank en de blokkade van het Gaza getto, een gebied zo klein als Groot-Antwerpen. Bovendien kan het regime in Tel Aviv op onvoorwaardelijke steun rekenen voor haar wanbeleid. De Palestijnen en de verkozen Hamas leiders en de verzetsstrijders hebben geen baat bij het aanvaarden van een onvoorwaardelijk staakt-het-vuren. Ze hebben niets meer te verliezen; de vernieling en het leed is ongehoord. Een ‘staakt-het-vuren zonder meer’ kan misschien wel een einde maken aan het gewapende geweld, maar niet aan de Israëlische staatsterreur of het eindeloos geweld van de bezetting en blokkades. Een staakt-het-vuren gekoppeld aan stevige garanties van het Westen, om op zeer korte termijn een einde te maken aan de kolonisatie en het Gaza getto en om een onafhankelijk Palestina te creëren, is een sine qua non voor duurzame vrede en veiligheid. Netanjahuh deelde vorige zondag mee dat hij door zal gaan met bombardementen tot hij een duurzame stilte (‘sustainable quietness’) heeft bereikt. Voor de Palestijnen is een dergelijke stilte dodelijk. Israël, het Westen en Europa, beseffen niet wat het betekent te leven in extreme omstandigheden, zonder toekomstperspectief, in de geglobaliseerde wereld van de 21ste eeuw. Er zijn mensen die zichzelf als dood beschouwen en hun leven zullen riskeren voor verandering omdat ze toch al dood zijn. De reputatie van het zgn. democratische Westen de zgn. beschaafde wereld, is sterk aangetast. Voor de regering van Israël is een generaal Al-Sissi’s staakt-het-vuren aantrekkelijk. Gaza is nogmaals naar de Middeleeuwen gebombardeerd en met de raketten kan men wel leven.

Europa zwijgt. Minister van Buitenlandse Zaken Reynders heeft over alles zijn zeg, maar nu horen we hem niet. Ik vraag me af welk standpunt hij zal vertolken. De Europese Unie moet dringend een proactief en constructief buitenlands beleid voeren en zich distantiëren van het Amerikaans beleid in het Midden-0osten en Oost-Europa. De Amerikaanse diplomatie is verworden tot dwangdiplomatie en straffe uitspraken. Wie zich in het Midden-Oosten niet neerlegt bij hun beleid wordt diplomatiek geïsoleerd, gesanctioneerd of militair afgemaakt. De resultaten in Irak, Afghanistan, Libië, Syrië en Palestina zijn: verwoesting, menselijk leed en zwakke onstabiele staten. Dit is een falend buitenlands beleid. Een collega merkte terecht op dat een cynische minderheid deze resultaten als een succes bestempelt. Het garandeert de Westerse hegemonie in de regio. Beter een desintegrerende staat dan een stabiel regime dat zich verzet tegen buitenlandse inmenging. Een van de verklaringen voor het zwijgen van Europa is de Holocaust en de daarmee gepaard gaande Europese schuldgevoelens. Dit is geen afdoende verklaring meer. Het gedrag van Israël buiten de grenzen van 1967 heeft niets te maken met de Holocaust. Misschien is er de vrees om als ‘antisemitisch’ gestigmatiseerd te worden? Ook dit houdt geen steek. Antisemitisme is vreselijk en verwerpelijk, maar kritiek op kolonisatie en het Israëlisch beheer van de grootste openbare gevangenis/getto ter wereld met 1,8 miljoen gedetineerden, heeft daar niets mee te maken.

Tegelijkertijd gaat veel diplomatieke aandacht naar de oorlog in Oekraïne en het neerschieten van een burgervliegtuig (wellicht per vergissing) door de Russische oppositie in de oorlogszone. Dit is erg en dramatisch. In het verleden is dat nog gebeurd. De ‘kwestie Oekraïne’ wordt verzwaard door twee bijkomende drama’s: de gefaalde regimeverandering en de manier waarop de ‘Malaysia vlucht 17’ wordt gemanipuleerd om politiek en diplomatiek garen te spinnen en de verantwoordelijkheid voor de oorlog, het neerschieten van het vliegtuig, Syrië en andere problemen, exclusief toe te schrijven aan Poetin. Dit is een oneerlijk en gevaarlijk blameerspel. Er zijn meerdere verantwoordelijken: niet alleen het huidige regime in Kiev, maar evenzeer het Westen en Europa. Deze laatsten experimenteren al jaren met binnenlandse inmengingen om bevriende regimes te installeren, doorhet ensceneren van ‘plein democratie‘, zoals in Caïro, Tripoli, Damascus en Kiev. Het draaiboek is meestal hetzelfde: er wordt betoogd op een plein (Tahrir of Euro Maidan), de internationale media amplificeren het gebeuren, Amerika en gelijkgestemden eisen dat het bestaande regime aftreedt en erkennen een overgangsregering. Als het resultaat tegenvalt, wordt een tweede poging ondernomen en -zoals in Egypte- een generaal Al-Sissi regime gedoogd. De binnenlandse inmenging is een competitief gebeuren. Toen de Amerikaanse topdiplomate, Ms. Nuland (een neocon) met haar landgenoot, de Amerikaanse ambassadeur, overlegde over de samenstelling van de overgangsregering, opperde ze: “Fuck the EU!”. Kenmerkend voor de expansie van de Westerse invloedssfeer in de 21ste eeuw is de systematische ontkenning van verantwoordelijkheid voor negatieve uitkomsten. Zondebokken worden beladen met alle zonden. David Chandler noemt dit ‘Empire in denial’.

Dit soort diplomatie is gedoemd te falen. Dwang, sancties, snelle en sterke uitspraken in de media onderdrukken de kunst van de diplomatie. Echte diplomatie overstijgt het simplistisch sanctioneren, moraliseren en militariseren. Professionele diplomatie onderhandelt met ‘vijanden of andersdenkenden’, bemiddelt, bouwt bruggen en streeft naar duurzame vrede en veiligheid. Het grootste gevaar van de Westerse dwangdiplomatie is de verspilling van tijd voor duurzame vrede en veiligheid, en voor het tijdig aanpakken van de globale crisissen.

Leuven, 23.07.2014

Diplomatiek bankroet: Gaza en Oekraïne.

Macht, mensenrechten en R2P

Macht, mensenrechten en R2P

De omarming van het ‘Responsibility to Protect’ (R2P) beginsel door de VN in 2005 was een belangrijke en lovenswaardige stap in de evolutie van mensenrechten. De ‘succesvolle’ gewapende interventie in Libië heeft de toekomst van R2P inspanningen in de wereld sterk gehypothekeerd en de conflictdynamiek in Syrië negatief beïnvloed. Geweldpreventie en een tijdige aanpak van de grondoorzaken van conflicten is menselijker en kosteffectiever.

  1. Vernieuwingen in het Internationaal recht.

Na de Koude oorlog werd het traditioneel internationaal recht aangepast om op een meer effectieve manier gewelddadige conflicten te voorkomen (conflictpreventie) en de individuele veiligheid van de burgers te verhogen (human security). In de toekomst zouden meer inspanningen worden gedaan om tijdig de escalatie van conflicten voorkomen door de grondoorzaken ervan aan de kaak te stellen en te remediëren. De soevereine staten werden niet alleen verantwoordelijk gesteld voor de externe, maar ook voor de interne veiligheid van hun burgers. Indien niet zal de internationale gemeenschap haar verantwoordelijkheid opnemen om grove schendingen van de mensenrechten to stoppen of te voorkomen.

  1. Menselijke veiligheid en R2P

In de meeste landen van de EU werden departementen gecreëerd voor conflictpreventie en vredesopbouw. In 2000 richtte de Canadese eerste minister, Crétien, een internationale commissie op over interventie en Staatssoevereiniteit (ICISS). Het rapport werd in de VN gebruikt om te debatteren over de Responsibility to Protect.

Het belicht drie facetten van de internationale verantwoordelijkheid om burgers te beschermen tegen massale wreedheden: (1) het voorkomen ervan door de grondoorzaken van interne conflicten op een proactieve manier aan te pakken, (2); het reageren op wreedheden met passende maatregelen zoals het opleggen van sancties, internationale vervolging en in extremis militaire interventie; en (3) het verlenen van assistentie voor heropbouw, herstel en verzoening.

Om R2P te realiseren is er een wijde waaier van instrumenten beschikbaar. Sommige, zoals het bevorderen van economische ontwikkeling, goed bestuur en mensenrechten, beogen effecten op lange termijn. Andere, zoals preventieve diplomatie, sancties en internationale strafvervolging, streven korte termijn effecten na. Nadat is vastgesteld dat een regering niet in staat is om mensen te beschermen en als alle vreedzame middelen hebben gefaald, worden militaire interventies als uiterste middel voorzien.

De commissie stelde vijf voorwaarden vast waaraan militaire interventies dienen te voldoen.

  • De ernst van de dreiging: (a) een groot verlies van levens, feitelijk of verwacht, met genocidale of niet-genocidale intenties, ten gevolge van een doelbewust beleid, verwaarlozing of het falen van een staat, (b) grootschalige ‘etnische zuiveringen’, feitelijk of verwacht, veroorzaakt door moord, gedwongen verplaatsing, terreur of verkrachting.
  • Het juiste motief. De belangrijkste doelstelling moet het stopzetten of voorkomen van menselijk leed zijn. Dit wordt het best verzekerd door de steun van de regionale opinie en van de slachtoffers.
  • De laatste optie. Militaire interventie is alleen mogelijk als alle andere middelen op een ernstige manier werden overwogen en getoetst, maar zonder resultaat.
  • De schaal, duur en intensiteit van het geplande militair geweld mag het noodzakelijke minimum niet overstijgen om de beoogde humanitaire objectieven te realiseren.
  • Een redelijke verwachting van succes. Er moeten redelijke kansen zijn dat het kwaad voorkomen of gestopt wordt, en de gevolgen van de interventie mogen niet slechter zijn dan de gevolgen van het niet-tussenkomen.

 

  1. Geweld voor mensenrechten.

De goedkeuring van het Responsibility to Protect beginsel door de Verenigde Naties in 2005 was een godsgeschenk voor gouvernementele en niet-gouvernementele actoren die burgers wilden beschermen tegen massale wreedheden. In 2006 aanvaardde de VN Veiligheidsraad dat humanitaire interventies, onder bepaalde voorwaarden, konden aangewend worden om met gewapend geweld de naleving van dit beginsel af te dwingen(Resolutie 1674). Deze ontwikkelingen werden, in belangrijke mate, aangepord door het Westen dat meer en meer gebruik maakte van dwangdiplomatie en militaire interventies in het Midden Oosten en Noord Afrika. Deze eeuw werden alle oorlogen in het MENA gevoerd door democratische landen (Libanon, Irak, Afghanistan, Gaza, Libië, Pakistan). Om de aandacht van de betwistbare en niet-succesvolle interventies af te leiden en de hegemonie over het MENA te versterken, werd gezocht naar nieuwe interventiemethoden die minder duur en riskant waren en legitiemer oogden.

  1. De triomfantelijke interventie in Libië.

De operatie dageraad in Libië werd bejubeld als een succesvolle humanitaire interventie. Aan het geanticipeerde bloedvergieten werd een einde gemaakt en Kadhafi werd gelyncht. Het prijskaartje was redelijk en er vielen weinig of geen slachtoffers bij de geallieerden. Bemande en onbemande vliegtuigen bombardeerden met grote precisie; het vuile werk op het terrein werd geleverd door lokale milities, bevriende legers, privéfirma’s en eigen speciale eenheden die clandestien opereerden. De interventie werd gelegitimeerd door haar humanitair karakter en de steun van de internationale gemeenschap.

Niettegenstaande de loftrompetten van de NAVO, Sarkozy, Cameron en consorten was het kostenplaatje zeer hoog. Een oorlog is afschuwelijk; hem escaleren om menselijk leed te beperken is een uitermate dissonante gebeurtenis, vooral voor de slachtoffers ter plaatse. De vernieling van de infrastructuur was groot en het aantal doden en gekwetsten wordt op 30.000 en 50.000 geschat. In de buurlanden bevinden zich kampen met duizenden vluchtelingen; wapens vielen in de handen van milities en kwamen ook terecht in buurlanden. Het land werd achtergelaten als een zwakke onstabiele staat.

De interventie in Libië heeft de toekomst van R2P en van de vrede en veiligheid sterk gehypothekeerd en de conflictdynamiek in Syrië negatief beïnvloed. Vooreerst omdat de ‘coalitie van de welwillenden’ van de vage definities in resolutie 1973 met betrekking tot (1) het doel: ‘de bescherming van de bevolking’ en (2) de middelen: ‘alle noodzakelijke middelen’, gebruik maakten om manu militari een regimeverandering te forceren en andere agenda’s, in naam van humanitaire motieven, te realiseren. Dit versterkte het wantrouwen van Rusland, China en Afrikaanse landen ten aanzien van de militarisering van R2P. Bovendien werden de vijf voorwaarden voor het gebruik van gewapende militaire interventie onvoldoende gerespecteerd.

Criteria Argumenten ‘coalitie van welwillenden’ Argumenten van kritische andersdenkenden
1.      Aanvaardbare gronden/de ernst van de dreiging. ·         Het voorkomen van een tweede Srebrenica, Rwanda of stromen van bloed. ·         Het hypothetisch aantal doden is sterk overdreven

·         Andere doelstellingen, zoals het omverwerpen van het regime en het verkrijgen van een betere economische en geopolitieke controle over dit olierijke land worden verzwegen.

·         Een breedbeeld analyse toont dat het Westen hegemonie tracht af te dwingen in de ganse regio en daarvoor op een systematische manier alle tegenstanders tracht te neutraliseren. Indien het in Syrië lukt, blijft Iran nog over.

2.      De juiste intenties ·         De wereld/de internationale gemeenschap (VN, Amerika , EU, Arabische Liga, Afrikaanse Unie) staat achter deze operatie.

·         Het merendeel van de Libische bevolking zou de gewapende regimeverandering verwelkomen

·         In België stemden alle partijen in het parlement voor de deelname aan de oorlog. De besluitvorming was democratisch.

·         De zgn. ‘internationale steun’ wordt overdreven.

·         Aanvankelijk was de internationale steun voor de bescherming van de kwetsbare bevolking hoog, maar die brokkelde af toen een regime-verandering werd nagestreefd.

·         In de VN Veiligheidsraad zijn 3/5 van de vijf permanente leden, NAVO landen; dit is geen democratisch besluitvormingsorgaan.

·          De gewapende interventie was vooral het werk van enkele leidinggevende staten.

·         Betrouwbare gegevens over de houding van de publieke opinie, ten aanzien van de gewelddadige omverwerping van het regime, zijn er niet. Het zou nuttig zijn te weten hoe de Libische bevolking en vluchtelingen nu de gewapende interventie en zijn uitkomst evalueert.

·         De Belgische beslissing om mee te doen aan de oorlog wordt genomen door een regering van lopende zaken. Het parlementaire debat is kort en oppervlakkig.

3.      Laatste optie ·         Al vroeg in het conflict werden onderhandelingen met Kadhafi als ongewenst en tijdverlies afgedaan

·         De kernstaten van de coalitie waren ervan overtuigd dat het regime alleen met geweld kon verwijderd worden.

·         De coalitie (vooral Sarkozy, Cameron, de VS, Qatar en Saudi Arabië) heeft de onderhandelingen met het regime onvoldoende kansen gegeven. De onderhandelings-voorstellen van de Afrikaanse Unie en Turkije werden van tafel geveegd.

·         Van bij het begin werd geopteerd voor een militaire oplossing.

·         Er was geen proactieve conflictpreventie

4.      Proportionaliteit doel en middelen ·         Er werd gebruik gemaakt van precisiewapens met weinig collateraal geweld

·         Er vielen weinig of geen slachtoffers bij de geallieerden

·         Zonder interventie zou er meer bloed verspild zijn.

·         De vakantieplannen van de Belgen werden tijdens de oorlog niet verstoord.

·         Enorme vernieling

·         30.000 doden

·         Het land werd achtergelaten met gewapende milities

·         Libië werd een zwakke staat

5.      Redelijke kansen op succes ·         Kansen op succes waren goed: de oorlog was relatief risicovrij voor de geallieerden + de toekomstige controle over Libië zou verbeteren. ·         De definitie van succes van het Westen houdt geen rekening met het feit dat de interventie meer doden veroorzaakte bij de burgers door het escaleren van de oorlog.

·         De negatieve gevolgen van de interventie werden niet voorzien (de hoge mate van vernieling+ doden/ een zwakke staat/de aanwezigheid van gewapende milities/een vermindering van de menselijke veiligheid/de negatieve impact op toekomstige pogingen om regimes in niet-bevriende staten te veranderen).

 

  1. Het conflict in Syrië

Het grootschalig protest in Syrië is het gevolg van politieke uitsluiting; van kansloze jongeren en een spillover van de Arabische lente. Het is een sterk geïnternationaliseerd binnenlands conflict geworden, met kenmerken van een burgeroorlog en asymmetrische geweldpleging. Het Houla-bloedbad is een wraakroepend moment in het escalatieproces. De dynamiek is beïnvloed door de negatieve voorbeeldfunctie van de humanitaire interventie in Libië. Een deel van de oppositie in Syrie en hun buitenlandse partners hoopten op een herhaling van desuccesvolle Libische revolutie. De Syrische regering trachtte met alle middelen een gelijkaardig scenario te vermijden, en Rusland en China waren wantrouwig en wensten niet meer misleid te worden.

Drie types van buitenlandse conflicthantering kunnen onderscheiden worden:

Een eerste groep van landen (vooral de leidende landen van het Westen, namelijk Frankrijk, Groot Brittannië, de VS, Israel, en Qatar en Saudi Arabië, zijn voorstander van dwangdiplomatie en, indien nodig, gewapende interventie. De verantwoordelijkheid voor de 12.000 doden wordt exclusief toegeschreven aan Bashar al Assad; hij moet aftreden. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van economische en diplomatieke sancties, het isoleren van het regime, geheime operaties, en het verlenen van niet-militaire of militaire steun aan de oppositie. Militaire interventie, of zoals Minister Reijnders het onlangs verbloemde als ‘militaire aanwezigheid’, is een optie. De voorstelling van het conflict is eenzijdig en onevenwichtig. Aanvankelijk meenden sommige leden van de nieuwe coalition of the willing, ten onrechte, het Libië scenario met succes te kunnen herhalen in Syrië.

Een tweede groep van landen beklemtoont het belang van het ‘niet-inmenging’ beginsel in internationale betrekkingen, verleent steun aan de Syrische regering en doet ernstige demarches om via een staakt-het-vuren en onderhandelingen tot een vreedzame oplossing te komen. De Russische minister van Buitenlandse zaken vertolkt deze aanpak op een voortreffelijke manier. De Russische benadering is nuttig als een tegengewicht tegen het agressief beleid van het Westen en haar bondgenoten in het MENA.

Tenslotte is er de VN aanpak met o.a. de bemiddeling van Kofi Annan en het ‘zes punten’-plan, de militaire waarnemers voor het monitoren van de naleving van het staakt-het-vuren en het sturen van een commissie om het Houla-bloedbad te onderzoeken. De VN benadering is moeilijk, maar is het meest belovend. Ze verdienen meer daadwerkelijke steun van alle binnen- en buitenlandse partijen. Aan alle geweld dient een einde te worden gesteld. Alleen inclusieve vredesonderhandelingen waar ook plaats is voor de bredere vreedzame oppositie en niet alleen voor de Syrische Nationale Raad (vooral gesteund door de Verenigde Staten en Europa) hebben kans op slagen. Het heeft ook geen zin, zoals bv. in de International Herald Tribune of The Economist, Iran als enige buitenlandse spelbreker in Syrië op te voeren. Dit is hypocriet en getuigt niet van gesofistikeerde diplomatieke correspondentie.

Het huidige beleid van het Westen en haar rijke, autoritaire Arabische bondgenoten hypothekeert de toekomst van de R2P. Het beleid is: (a) te selectief. Het spitst zich toe op niet-bevriende Arabische staten en de schendingen van de mensenrechten in Kongo of de hongersnood krijgen nauwelijks aandacht, (b) te reactief. Een disproportioneel klein deel van de aandacht en middelen gaat naar de proactieve preventie van geweld en de aanpak van de grondoorzaken van conflicten, (c) te coërcief. Er wordt overwegend gebruik gemaakt van dwangdiplomatie en directe en/of indirecte militaire interventie, en (d) de mensenrechten worden te eng gedefinieerd. De beperking van mensenrechten tot alleen politieke vrijheid zorgt voor frustratie bij burgers die mensenrechten breder definiëren en voor wie ze ook welvaart betekenen in de vorm van economische rechtvaardigheid, binnen en tussen staten.

 

Enkele recente artikelen

Luc Reychler, Europese diplomatie in een onzekere wereld. In: Streven, mei 2012.

Luc Reychler, Realistische diplomatie voor Syrië en Iran. In: De Tijd, 25 februari 2012

Luc Reychler, Raison ou Déraison d’état. Lezing aan de Tsinghua Universiteit, Bejing, december 2011 (zie: speakout papers @ http://www.diplomaticthinking.com)

Luc Reychler

Em. Prof. KU Leuven (F. Harvard ‘76): internationale betrekkingen, conflict- en vredesonderzoek, strategie en veiligheid, en multilaterale onderhandelingen en bemiddeling. Hij was secretaris-generaal van de International Peace Research Association en UNESCO chairholder voor ‘Duurzame vredesopbouw en intellectuele solidariteit’. Hij schrijft momenteel een boek over de rol van tijd in conflictdynamiek en vredesopbouw met als titel ‘Time for peace’ en speakout artikels over gevoelige kwesties in internationale betrekkingen (zie: blog Luc Reychler http://www.diplomaticthinking.com) Luc.reychler@soc.kuleuven.be

 

Stellingen

  1. De zgn. succesvolle gewapende interventie in Libië heeft de toekomst van R2P inspanningen in de wereld sterk gehypothekeerd en de conflictdynamiek in Syrië negatief beïnvloed. Proactieve geweldpreventie en een tijdige aanpak van de grondoorzaken van conflicten is menselijker en kosteffectiever.
  2. Buitenlandse zaken is het minst transparante en democratische besluitvormingsproces in de democratische wereld, vooral in de VS, Frankrijk en Groot-Brittannië. De Belgische beslissing om mee te doen aan de oorlog in Libië werd genomen door een regering van lopende zaken en kon rekenen op unanieme goedkeuring in het parlement. In de pers verschenen weinig of geen kritische artikelen en de vredesbeweging zweeg. Is dit een voorbeeld van democratie en verantwoordelijkheidszin?

On the creation of a nuclear crisis in the Middle East

On the creation of a nuclear crisis in the Middle East

Luc Reychler                            

This conference is about a nuclear crisis in the Middle East (ME). It’s a story of nuclear haves and have nots; the pursuit of offensive dominance by the West, and the growing insecurity and instability of the whole region.      

The main protagonists in the nuclear crisis are the West (in essence Israel and Washington) and Iran.

Israel is a nuclear power; it has around 200 warheads and can deliver them using intercontinental ballistic missiles, aircrafts and submarines. Israel does not admit possessing nuclear weapons; it is not a member of the Non Proliferation Treaty, and to remain the only nuclear power in the region, it aggressively prevents other countries to become nuclear powers (think of the airstrikes against Iraq’s Osiraq reactor in 1981 in the midst of the Iraq-Iran war, and against a Syrian reactor in 2007. In addition, it does everything to strengthen its anti-ballistic missile defense system. Israel has declared Iran’s enrichment of nuclear fuel an existential threat; it convinced Washington to impose increasingly heavy sanctions; launched cyberwarfare, and assassinated nuclear scientists. The last few years, Netanyahu warns Iran that its nuclear installations will be bombed when the red line is crossed. To destroy Iranian nuclear plants, some of which have been build in the mountains, deep penetration bombs are needed. Washington has both nuclear and conventional earth penetrating weapons.  

In a nutshell, Israel wants to achieve absolute security and offensive dominance (nuclear and conventional), while continuing politics as usual.          

Iran. Iran has no nuclear weapons. As many other countries in the world, it shows interest in acquiring peaceful nuclear energy since the Shah in the 70’s. After the ‘79 revolution, a clandestine nuclear weapons research program was disbanded by Ayatollah Khomeini, who considered such weapons forbidden under Muslim ethics and jurisprudence. In 1981, Iran decided to continue nuclear development. Since then, the country has been pressured by the West to make its nuclear activities fully transparent and to stop enriching nuclear materials. The government has invited inspections by the IAEA but does not suspend the enrichment activities for peaceful purposes, which are permitted in article IV of the NPT treaty. There were many ‘unsuccessful’ negotiations .

In a nutshell, Iran claims that it has no nuclear weapons and that it does not plan to build them; it is a member of the NPT; it intends to continue its low enrichment of uranium program (up to 20%) for energy and medical purposes, and  wants a nuclear weapon free ME.   

This nuclear crisis is potentially dangerous…very dangerous. To understand the crisis fully, one has to consider several elements of the big picture or the broader context.

First, the foreign interference in the ME: now and then. In 1953, for example, a democratically elected government in Iran and its head Mosaddegh was overthrown by a coup d’état, orchestrated by the secret services of the UK and the US, because two years earlier the oil industry was nationalized. A military government under Shah Pahlavi, who relied heavily on US support, was installed. 1979 saw the first popular revolution in the Middle East that installed a new regime headed by Ayatollah Khomeini. Since then, Iran had to fight a war with Iraq between 1980 and 88 in which half to one million Iranians were killed. The US did nothing to dissuade Saddam Hussein from attacking. In fact, at that time, the West supported him. By the way, during that war, the Busher nuclear plant was damaged by French missiles. The last 33 years, Iran has been the subject of an increasing level of economic, diplomatic and military sanctions by the US and European countries.  

The denial of the root causes of the protracted conflicts and political terrorism. All the foreign interventions in whatever name (be it security, anti-terrorism, democracy, regime change or human rights) did nothing to address 1) the root causes of the conflicts, 2) the internal political, demographic and socio-economic problems, 3) the use of double standards, supporting friendly authoritarian regimes and sanctioning or destroying unfriendly ones, 4) the illegal occupation of the Palestine and the Syrian Golan Heights, and 5) the continuous repression of the Palestinians. There is a saying: “you cannot whistle against the wind; the wind is stronger”. We seem to neglect in the ME the coming storm of the human struggle for self-determination and for their own type of democracy. In this climate one cannot convert other nations and peoples to democracy without granting them the right to self-determination and stopping domestic interference. The struggle for self-determination will be accompanied by stronger demands for the democratization of the international system.       

Third, the replacement of genuine professional diplomacy by coercive diplomacy and military interventions. Since 9/11, Iran’s neighborhood has been increasingly militarized (see map military bases). In addition, the democratic West initiated several wars and military interventions in Iraq, Afghanistan, Palestine, Lebanon, Libya and Syria. The internal war in Syria has all the features of a proxy war. These interventions have contributed to the destabilization of the whole region; it has increased the level of insecurity, created disastrous humanitarian consequences, and left weak and fragile states.   

Fourth, the verbal wars and more than 30 years of absence of formal diplomatic exchange. The verbal wars of both the protagonists, calling each other names (such as the ‘great Satan’ and ‘the axis of evil’) and mutual threats to destroy each other are not helping. Ahmadinejad, the president of Iran, is repeatedly cited by Netanyahu ‘to have threatened to destroy Zionist Israel’. I am sure Ahmadinejad could use a spin doctor, but we forget to mention that he compared his statement about Israel with the ending communism and apartheid. Both systems disappeared without a physical destruction of Russia nor South Africa: the first ended by implosion and the second by peace negotiations. Equally problematic is the absence of formal diplomatic relations between America and Iran since more than 30 years.   

The last and most important aspect of the big picture is the non-adaptive strategic thinking and leadership. Let me share two findings from the study of war. The first suggests that offensive dominance (which the West is now pursuing in the ME) is at the same time dangerous, quite rare and widely overstated. When offensive dominance was combined with exaggerating insecurity and bellicose conduct, it became the prime cause of national insecurity and war in history. The prime threat to security, including nuclear security, in the Middle East is the West itself. The greatest menace lies in the tendency to exaggerate the dangers it faces and to respond by counterproductive coercion and belligerence. The first problem is compounded by a second one: ‘the demand of absolute security for the West at the expense of the rest’. This feeds the security dilemma. Too strong military force can be provocative, since measures for self-defense can be perceived as a menace by other countries. This has led to ‘vicious conflict spirals’.  

After ‘45, Europe has taken these lessons seriously. Former archenemies build, with American assistance, a security community on the basis of dialogue, security cooperation and an economic union.    

If we want to prevent another war and improve the security climate in the ME, we need to deal with the conflicts, including the nuclear crisis, in a radically different way. This would imply immediately reestablishing official diplomatic relations between America and Iran, and replacing the coercive diplomacy with more adaptive and effective leadership.

Thanks
On the creation of a nuclear crisis in the Middle East

12-12: hulpactie en vredesdiplomatie?

12-12

Een Belgische 12/12 noodhulpactie voor Syrië: Proficiat. Het doel is het menselijk leed van een vreselijk uit de hand gelopen regimeverandering, te lenigen. Dit is een lovenswaardig initiatief dat alle steun verdient.

Ik veronderstel dat de meeste Syriërs de ‘vrede’ van voor en na de oorlog verkiezen boven de huidige geïnternationaliseerde burgeroorlog. In vredestijd heb ik enkele keren Damascus bezocht. Ik hoopte dat President Bush en gelijkgestemde politici ooit incognito Syrië zouden komen bezoeken. Dit zou wellicht een einde maken aan hun ‘as van het kwaad’ discours.

In oorlogstijd hebben de vluchtelingen en slachtoffers dringend behoefte aan hulp. Ze maken zich ook zorgen over morgen en hunkeren naar vreedzame oplossingen. Ze kunnen onze hulp goed gebruiken.

Humanitaire hulporganisaties, of ze het willen of niet, dragen ook hier een belangrijke verantwoordelijkheid. Daarom zou het goed zijn dat het Belgisch Consortium toelichting geeft bij de doelstelling om “de verontwaardiging over de situatie in Syrië terug leven in te blazen”. Over wat moeten we verontwaardigd zijn? Wie zijn verantwoordelijk? Welke inspanningen zijn noodzakelijk om een einde te maken aan de oorlog?

Akkoord, nietsdoen is een vorm van misdadig verzuim. Maar wat moet dan gedaan worden? In het ‘er moet iets gedaan worden’ discours over Syrië wordt gepleit voor:

  • Gewapende humanitaire interventie, zoals in Libië. Dit is een pleidooi voor de inzet van nog meer geweld om een spoedig einde te maken aan het Assad regime en de oorlog. Het is een gevaarlijke illusie. Het benoemen van Libië als een succes houdt geen rekening met de opinie van het groot aantal slachtoffers. Het is blind voor de vele negatieve neveneffecten van de zgn. ‘humanitaire interventie’. Denk aan de zwakke staat, de oorlog in Mali, Iran, en vooral het regimeveranderingsproces in Syrië. Aanvankelijk verwachtte de gewapende oppositie op korte termijn, zoals in Libië, een beslissende overwinning met gewapende internationale steun. Onderhandelen met het Assad-regime was uit den boze. Het ‘Westen’ en bevriende regeringen in de regio steunden deze zelfbegoocheling met woord en daad. De humanitaire interventie in Libië verdeelde ook de internationale gemeenschap. Tenslotte besliste het Assad-regime om alles te doen om sommige gevolgen van militaire interventies in de regio te voorkomen; namelijk de creatie van een fragiele staten en het ophangen of lynchen van regeringsleiders, zoals in Irak of Libië.
  • Het verlenen van humanitaire hulp en wachten tot het conflict rijp wordt voor onderhandelingen. Deze aanpak impliceert een stilzwijgende goedkeuring van de bewapening van de strijdende partijen. Het perspectief is wellicht een langdurige, destabiliserende en grensoverschrijdende oorlog.
  • Het pleiten voor en steunen van ernstige onderhandelingen. Waarom geen daadwerkelijke steun verlenen aan de bemiddeling van Lakhdar Brahimi. De huidige dwangdiplomatie in de regio dient plaats te maken voor een effectieve vredesdiplomatie gekenmerkt door (a) het zo spoedig mogelijk afdwingen van een staakt-het-vuren, plus effectief verificatiesysteem, en (b) het praten met alle betrokken partijen op nationaal en internationaal niveau. Vredesonderhandelingen waar belangrijke aandeelhouders worden uitgesloten, zijn gedoemd te falen. Vrede wordt gesloten met vijanden en niet met vrienden of gelijkgestemden. In Zuid Afrika en Myanmar werd vrede gesmeed tussen aartsvijanden (het apartheidsregime en de militaire junta). Mandela en Aung San Suu Kyi zijn rolmodellen voor een kosteneffectieve regimeverandering.

Humanitaire organisaties zijn uitgerust om het leed van slachtoffers te verzachten. Ze beïnvloeden echter ook de kansen van oorlog of vrede positief of negatief. De duiding van het leed en het geweld in Syrië kan aangewend worden om de inzet van meer geweld of meer vredesdiplomatie te legitimeren.

 

Luc Reychler

Em.Prof. conflict- en vredesonderzoek KULeuven

Ik schaam me dood

Ik schaam me dood

Over internationaal recht en onrecht.

20.11.2012

 

Gisteren kwam ik rond middenacht thuis en besloot nog even naar Ter zake te kijken. Jan Wouters (JW), professor internationaal recht aan de KULeuven, verdedigde het beleid van Israël in naam van zelfverdediging; het strookt met het internationaal recht. Hij had weinig of geen problemen met de disproportionaliteit omdat het nu eenmaal moeilijk is om in een dichtbevolkt gebied militair in te grijpen, maar vooral omdat de Israëlische regering zeker niet de intentie had burgers en kinderen te doden. Het lanceren van raketten vanuit Gaza was illegaal.

Doden spreken niet, maar wellicht maken ze geen onderscheid tussen intentioneel en niet-intentioneel geweld. In het conflict tussen Israël en Palestina geldt niet het ‘een oog voor een oog’ beginsel, maar ‘tien tot honderd ogen voor een oog’ en bijna duizend ogen wat vernieling betreft. Dit zijn betrouwbare statistieken.

JW’s betoog is weinig gesofistikeerd. Het geeft een onverantwoorde interpretatie van het internationaal recht en van de mensenrechten.

  • Vooreerst omdat impliciet gesteld wordt dat Israël haar expansionistisch en repressief beleid ten aanzien van de Palestijnse bevolking manu militari moet kunnen verdedigen. Er wordt met geen woord gerept over de illegaliteit van de expansie van Israël en de onderdrukking van de Palestijnse bevolking. Israël heeft het recht om op een veilige manier haar expansief en repressief beleid voort te zetten
  • Ten tweede hanteert JW een selectieve voorstelling van geweld en maakt hij een betwistbaar onderscheid tussen legaal en illegaal geweld. Over het langdurige en grootschalige gewapend, structureel en psychologisch geweld in de bezette gebieden wordt met geen woord gerept. De inwoners van Gaza leven in een concentratieland tussen hoge grijze betonnen muren; een groot deel van de politieke leiding zit in Israëlische gevangeniscellen en regelmatig worden politiek leiders, vanuit de hemel, zonder enig vorm van proces vermoord. Denk aan Ahmed Jaabari. Het geweld van de Palestijnen wordt terrorisme genoemd; het geweld van Israël is zelfverdediging. Statistieken vertellen ons dat antiterrorisme veel destructiever en dodelijker is: een meer accurate benaming is ‘staatsterrorisme’.
  • JW vergeet dat er naast proportionaliteit ook andere voorwaarden moeten gerespecteerd worden vooraleer gebruik gemaakt kan worden van gewapend geweld, zoals het zoeken naar alternatieven, ernstige onderhandelingen, de erkenning van Palestina als een volwaardige staat, of het wegnemen van de grondoorzaken van het geweld (de kolonisatie en de langdurige onderdrukking van een andere bevolking). De Israëlische regering blijft zweren bij repressie en dwangdiplomatie.
  • Ten slotte doet dit verhaal me terug denken aan een befaamde internationale jurist die me toevertrouwde dat internationaal recht in essentie internationale politiek is en niet vreemd is aan het ‘might is right’ beginsel.

Voor een groot deel van de globale publieke opinie draagt de keizer al lang geen kleren meer. Het is het meest zichtbare conflict ter wereld. De kloof tussen recht en rechtvaardigheid gaapt wijd open. Een duurzame vrede tussen Israël en Palestina zal op een andere leest geschoeid moeten worden.

 

Luc Reychler is Em. prof. internationale betrekkingen (conflicthantering en duurzame vredesopbouw) aan de KULeuven. Hij is pro-Israël en pro-Palestina en verfoeit alle geweld tegen Israëli’s en Palestijnen. Hij schrijft een boek over de rol van tijd in conflict en vredesprocessen (Time for peace). Hij pleit voor een meer adaptief temporament. Zijn blog is www.diplomaticthinking.com

Ik schaam me dood. Over internationaal recht en onrecht

Dwang of Adaptieve diplomatie

In de 21ste eeuw maakte het Westen op negen plaatsen in het Midden Oosten en Noord Afrika gebruik van gewapend geweld ( bedreiging inbegrepen) en van dwangdiplomatie.
Alles in beschouwing genomen is het gemilitariseerd beleid van het Westen een geschiedenis van mislukkingen en van een falend buitenlands beleid.
De beperkingen van het Western diplomatiek en veiligheidsparadigma ( Pax Occidentalis) worden aan de kaak gesteld.
De militarisering van mensenrechten en democratie is een gevaarlijke ontwikkeling.
Het succesverhaal van de ‘humanitaire interventie’ in Libië overtuigt niet.

De EU heeft nood aan een effectief buitenlands beleid in het Midden Oosten met meer realisme, transparantie en democratie. Het Westen en de EU zijn niet meer het centrum van de wereld. Het falen van de militaire interventies in de regio bevestigt de beperkingen en negatieve impact van het huidig beleid. Laat ons alstublieft geen nieuwe zondebokken meer opvoeren om het falend beleid in de regio te versluieren.

Het buitenlands en veiligheidsbeleid is het minst transparante en democratische beleidsdomein van het ‘democratische’ Westen. De MONA diplomatie wordt gestuurd door particuliere belangen en komt weinig of niet tegemoet aan de wensen en belangen van de eigen Westerse bevolking; laat staan de mensen in de regio. In het begin van september 2001 geloofden 13% van de Amerikanen dat hun land ‘de enige supermacht’ in de wereld moest worden en minder dan een derde wenste een verhoging van de defensie-uitgaven. Vandaag is de score 12% en 26% respectievelijk. Onlangs stelde de republikeinse kandidate voor het presidentschap Michele Bachman dat Amerika en Israël een uitzonderlijke opdracht hebben: een lichtbaken zijn voor de naties (‘to be a light to the nations’).

De EU moet een eigen koers uitstippelen en afstand nemen van de destructieve conflicthantering van de VS en Israël. De diplomatieke geschiedenis, vooral gedurende de aanloop van de Eerste Wereldoorlog, heeft ons geleerd dat grootmachten hun beleid niet mogen laten sturen door kleine overmoedige bondgenoten.

Het is de taak van de media, academici en leerkrachten om de burgers en de studenten wereldwijs te maken en uit te rusten met de instrumenten om het buitenlandse en veiligheidsbeleid van hun land en van de EU mee te bepalen. Dit is noodzakelijk voor de ontwikkeling van een meer realistische, humane en adaptieve diplomatieke cultuur.

PS Het al dan niet erkennen van Palestina als een volwaardige staat in de Verenigde Naties is een ‘high impact’ beslissing met wereldwijde gevolgen. Een volwaardige erkenning van de tegenpartij in een conflict is een cruciale voorwaarde voor echte vredesonderhandelingen. Het aanporren van onderhandelingen zonder erkenning en zonder voorwaarden is een ijl diplomatiek mantra. Tot nu toe waren de vredesonderhandelingen een voortzetting van de dwangdiplomatie van Israël. Het wordt tijd dat het Belgisch buitenlands beleid het ‘responsibility to protect‘ en het ‘non-indifference‘ beginsel ook naleeft in het langstdurende conflict in het Midden Oosten.

Full text

Strategie met toekomst

Het aanslepend conflict tussen Israël en Palestina hypothekeert, in steeds grotere mate, de belangen van het Westen in het Midden Oosten en Noord Afrika( MONA).
De vredesonderhandelingen zijn pseudo-onderhandelingen; ze zijn een voortzetting van dwangdiplomatie.
De oplossing wordt al lang op een zilveren schaal aangeboden door de VN, het Westen en de Arabische Liga.
Amerika en de EU staten dienen een punt te zetten achter het gedoogbeleid t.a.v. irredentisme en segregatie.

De recente politieke omwentelingen in het Midden Oosten zijn adembenemend. Het gevoel van machteloosheid en vernedering maakt plaats voor protest en de wil van de burgers om welvaart, democratie en respect af te dwingen. Het Westen kan zich verheugen, maar moet dringend haar beleid ten aanzien van deze regio herzien. Het huidige strategische denken is contraproductief en achterlijk. Er worden nu wel diplomatieke inspanningen ondernomen om de schade te beperken, maar hiermee worden de vele wanklanken (dissonanties) niet verwijderd. Zo is er de jarenlange steunverlening aan bevriende autoritaire regimes tot op het laatste moment. Niet bevriende democratisch verkozen partijen werden als paria’s behandeld en er wordt geen verzet aangetekend tegen de illegale bezetting van de Palestijnse Gebieden en de segregatie van de Palestijnse bevolking; Lieberman wenst zelfs een staat exclusief voor Joden. Deze regio is tot slot het grootste afzetgebied voor gesofistikeerd wapentuig. De internationale toeschouwer ervaart een grote mate van cognitieve dissonantie. De wisselkoers van militaire macht en dwangdiplomatie is sterk gedaald. De kosten van de geweldloze regimeverandering blijken beduidend lager dan de met militaire macht opgelegde regimes zoals in Irak en Afghanistan. Het Westen, en vooral de EU, doet er goed aan (a) zich niet negatief te mengen in het democratiseringsproces in het Midden Oosten en (b) haar beleid ten aanzien van Israël en Palestina grondig bij te sturen. Op korte termijn betekent dit orde op zaken stellen in Israël. Journalist Robert Fisk observeert terecht dat de wereld rondom Israël verandert; Israël niet. Het zou de democratische revoluties moeten omarmen in plaats van nieuwe kolonies te bouwen. Om een nieuw beleid te krijgen heeft Israël een sociale revolutie nodig. Bovendien moet het Westen in 2011 de soevereiniteit van Palestina erkennen, de nieuwe staat voorzien van ontwikkelingskansen en de veiligheid van Israël en Palestina garanderen. Deze vredesformule wordt al lang op een zilveren schaaltje door de VN, het Westen en de Arabische Liga aangeboden. Een dergelijk royaal aanbod kan men niet langer negeren. Het is een laatste kans.

Full text