Category Archives: Speak out notes

A foreign policy folly

De slachtpartij in Gaza is het failliet van buitenlandse zaken. Amerika doet niets om de grondoorzaken aan te pakken: Israëls bezetting en kolonisatie van de West-Bank en de blokkade van het Gaza getto, een gebied zo klein als Groot-Antwerpen. Bovendien kan het regime in Tel Aviv op onvoorwaardelijke steun rekenen voor haar wanbeleid. De Palestijnen en de verkozen Hamas leiders en de verzetsstrijders hebben geen baat bij het aanvaarden van een onvoorwaardelijk staakt-het-vuren. Ze hebben niets meer te verliezen; de vernieling en het leed is ongehoord. Een ‘staakt-het-vuren zonder meer’ kan misschien wel een einde maken aan het gewapende geweld, maar niet aan de Israëlische staatsterreur of het eindeloos geweld van de bezetting en blokkades. Een staakt-het-vuren gekoppeld aan stevige garanties van het Westen, om op zeer korte termijn een einde te maken aan de kolonisatie en het Gaza getto en om een onafhankelijk Palestina te creëren, is een sine qua non voor duurzame vrede en veiligheid. Netanjahuh deelde vorige zondag mee dat hij door zal gaan met bombardementen tot hij een duurzame stilte (‘sustainable quietness’) heeft bereikt. Voor de Palestijnen is een dergelijke stilte dodelijk. Israël, het Westen en Europa, beseffen niet wat het betekent te leven in extreme omstandigheden, zonder toekomstperspectief, in de geglobaliseerde wereld van de 21ste eeuw. Er zijn mensen die zichzelf als dood beschouwen en hun leven zullen riskeren voor verandering omdat ze toch al dood zijn. De reputatie van het zgn. democratische Westen de zgn. beschaafde wereld, is sterk aangetast. Voor de regering van Israël is een generaal Al-Sissi’s staakt-het-vuren aantrekkelijk. Gaza is nogmaals naar de Middeleeuwen gebombardeerd en met de raketten kan men wel leven.

Europa zwijgt. Minister van Buitenlandse Zaken Reynders heeft over alles zijn zeg, maar nu horen we hem niet. Ik vraag me af welk standpunt hij zal vertolken. De Europese Unie moet dringend een proactief en constructief buitenlands beleid voeren en zich distantiëren van het Amerikaans beleid in het Midden-0osten en Oost-Europa. De Amerikaanse diplomatie is verworden tot dwangdiplomatie en straffe uitspraken. Wie zich in het Midden-Oosten niet neerlegt bij hun beleid wordt diplomatiek geïsoleerd, gesanctioneerd of militair afgemaakt. De resultaten in Irak, Afghanistan, Libië, Syrië en Palestina zijn: verwoesting, menselijk leed en zwakke onstabiele staten. Dit is een falend buitenlands beleid. Een collega merkte terecht op dat een cynische minderheid deze resultaten als een succes bestempelt. Het garandeert de Westerse hegemonie in de regio. Beter een desintegrerende staat dan een stabiel regime dat zich verzet tegen buitenlandse inmenging. Een van de verklaringen voor het zwijgen van Europa is de Holocaust en de daarmee gepaard gaande Europese schuldgevoelens. Dit is geen afdoende verklaring meer. Het gedrag van Israël buiten de grenzen van 1967 heeft niets te maken met de Holocaust. Misschien is er de vrees om als ‘antisemitisch’ gestigmatiseerd te worden? Ook dit houdt geen steek. Antisemitisme is vreselijk en verwerpelijk, maar kritiek op kolonisatie en het Israëlisch beheer van de grootste openbare gevangenis/getto ter wereld met 1,8 miljoen gedetineerden, heeft daar niets mee te maken.

Tegelijkertijd gaat veel diplomatieke aandacht naar de oorlog in Oekraïne en het neerschieten van een burgervliegtuig (wellicht per vergissing) door de Russische oppositie in de oorlogszone. Dit is erg en dramatisch. In het verleden is dat nog gebeurd. De ‘kwestie Oekraïne’ wordt verzwaard door twee bijkomende drama’s: de gefaalde regimeverandering en de manier waarop de ‘Malaysia vlucht 17’ wordt gemanipuleerd om politiek en diplomatiek garen te spinnen en de verantwoordelijkheid voor de oorlog, het neerschieten van het vliegtuig, Syrië en andere problemen, exclusief toe te schrijven aan Poetin. Dit is een oneerlijk en gevaarlijk blameerspel. Er zijn meerdere verantwoordelijken: niet alleen het huidige regime in Kiev, maar evenzeer het Westen en Europa. Deze laatsten experimenteren al jaren met binnenlandse inmengingen om bevriende regimes te installeren, doorhet ensceneren van ‘plein democratie‘, zoals in Caïro, Tripoli, Damascus en Kiev. Het draaiboek is meestal hetzelfde: er wordt betoogd op een plein (Tahrir of Euro Maidan), de internationale media amplificeren het gebeuren, Amerika en gelijkgestemden eisen dat het bestaande regime aftreedt en erkennen een overgangsregering. Als het resultaat tegenvalt, wordt een tweede poging ondernomen en -zoals in Egypte- een generaal Al-Sissi regime gedoogd. De binnenlandse inmenging is een competitief gebeuren. Toen de Amerikaanse topdiplomate, Ms. Nuland (een neocon) met haar landgenoot, de Amerikaanse ambassadeur, overlegde over de samenstelling van de overgangsregering, opperde ze: “Fuck the EU!”. Kenmerkend voor de expansie van de Westerse invloedssfeer in de 21ste eeuw is de systematische ontkenning van verantwoordelijkheid voor negatieve uitkomsten. Zondebokken worden beladen met alle zonden. David Chandler noemt dit ‘Empire in denial’.

Dit soort diplomatie is gedoemd te falen. Dwang, sancties, snelle en sterke uitspraken in de media onderdrukken de kunst van de diplomatie. Echte diplomatie overstijgt het simplistisch sanctioneren, moraliseren en militariseren. Professionele diplomatie onderhandelt met ‘vijanden of andersdenkenden’, bemiddelt, bouwt bruggen en streeft naar duurzame vrede en veiligheid. Het grootste gevaar van de Westerse dwangdiplomatie is de verspilling van tijd voor duurzame vrede en veiligheid, en voor het tijdig aanpakken van de globale crisissen.

Leuven, 23.07.2014

Diplomatiek bankroet: Gaza en Oekraïne.

Europese diplomatie in een onzekere wereld

Europese diplomatie in een onzekere wereld.

    1. Een Janus imago

  • Het Europees buitenlands en veiligheidsbeleid lokt kritiek en lof uit: “Diplomatie is het laatste domein waar Europa haar draai nog niet heeft gevonden”, “De EU heeft geen invloed op het internationale gebeuren”, “Europa moet spreken met één stem”, “Europa heeft geen strategische visie”. Dergelijke kritiek weerspiegelt frustratie over de kloof tussen potentieel en werkelijkheid; over de constructieve rol die Europa zou kunnen spelen in een eng verweven onstabiele wereld en het weinig adaptief diplomatiek  denken en gedrag. Anderzijds wordt de EU voorgesteld als een supermacht, een zachte grootmacht, een normatieve macht, een rolmodel in de internationale politiek, een civiliserende kracht. Volgens Marc Leonard zal Europa de 21ste eeuw beheersen. Jeremy Rifkin is overtuigd dat de economische perikelen de droom van Europa niet zullen ondermijnen. Volgens hem is en blijft de EU het laboratorium van de wereld op zoek naar een empatische beschaving en samenleven in een gedeelde biosfeer.

2. Uitgangspunten van de analyse

  • Hoe staat het met het buitenlands beleid van de EU? Mijn antwoord berust op vier vooronderstellingen: (a) de toekomst van de EU zal bepaald worden volgens de kwaliteit van haar diplomatiek beleid in de wereld, (b) de EU heeft een grote invloed op het internationale gebeuren, (c) het EU beleid heeft positieve en negatieve facetten; en (d) er zijn inspanningen nodig om de transparantie van het beleid en de effectiviteit van geweldpreventie te verhogen.
  1. Een onzekere internationale omgeving
  • Na de WO II zagen we in de internationale omgeving vier ingrijpende veranderingen: het einde van het kolonialisme, de implosie van het communisme in Europa, de reactie van de het Westen op de vernieling van de tweelingtorens, en de megacrisis op het einde van het eerste decennium van onze eeuw. Sinds 9/11 voerde de ‘democratische wereld’ vijf oorlogen in het Midden Oosten (Libanon, Palestina, Afghanistan, Irak, Libië) en werden Syrië en Iran het voorwerp van dwangdiplomatie en militaire dreiging. De schaduwzijde van deze interventies is schrijnend. Ze veroorzaakten destructie, onnodig grote aantallen slachtoffers, en hoogoplopende kosten. Alle doelwitstaten werden achtergelaten met zwakke, kwetsbare en onstabiele regimes. Om in Libië een hypothetisch aantal mensenlevens te redden werd een interne oorlog aangewakkerd, de infrastructuur van het land vernield en meer dan 30.000 Libiërs gedood. Voor België was de deelname aan de oorlog een kwestie van lopende zaken; wij hoefden onze vakantie zelfs niet te onderbreken. Deze oorlog leidde de aandacht af van een falend buitenlands beleid en van een veel grotere crisis waarmee de wereld vandaag wordt geconfronteerd. Deze ‘megacrisis’ is het gevolg van een reeks sterk verweven crisissen die we niet konden voorkomen of oplossen, zoals: (a) de energie problematiek na Fukushima, (b) de uitdagingen van het milieu, (c) de stijging van de voedselprijzen armere landen, (d) het onstabiele financiële en economisch regime, (e) de marginalisering van de meerderheid van de wereldbevolking, (f) het democratische deficit van de globale internationale instellingen, zoals de VN Veiligheidsraad, (g) de afkalving van het internationaal recht, (h) de bewapening en inzet van nieuwe wapensystemen, zoals robotvliegtuigen, en (i) het gouvernementele en niet-gouvernementeel terrorisme. De megacrisis is de meest ingrijpende verandering sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog. Zij bedreigt de toekomst en stelt de legitimiteit van de huidige internationale organisatie in vraag. Bovendien verhoogt de globale bewustwording het gevoel van ‘relatieve deprivatie’ en frustratie. De Arabische Lente beoogt de bevrijding van interne repressie en externe interventie.
  • 4. Doelstellingen, procedures en uitrusting van de EU diplomatie.

Doelstellingen. De doelstellingen van de EU-diplomatie (external action) opgesomd in het verdrag van Lissabon dat op 1 december 2009 in werking trad, zijn:

– Het beveiligen van onze waarden, fundamentele belangen, veiligheid, onafhankelijkheid en integriteit

– Het consolideren en ondersteunen van de democratie, de rechtstaat, de mensenrechten en de beginselen van het internationaal recht

– Het behoud van vrede, conflictpreventie en de versterking van de internationale veiligheid

– De bevordering een duurzame ontwikkeling van de economie, de sociale relaties en het milieu in de ontwikkelingslanden, en de uitroeiing van armoede

– De bevordering van de integratie van alle landen in de wereldeconomie en de ontmanteling van hindernissen in de internationale handel

– Het ondersteunen van internationale inspanningen om de kwaliteit van het milieu te bewaren en te verbeteren en de grondstoffen op een duurzame wijze te beheren

– Hulpverlening aan volkeren, staten en regio’s die geconfronteerd worden met natuurlijke of door de mens veroorzaakte rampen

– Het promoten van een internationaal systeem waarin meer wordt samengewerkt en met een behoorlijk globaal bestuur.

Opvallend in deze lijst is de overwegende aandacht voor veranderingen in de internationale omgeving. De EU lijkt zich meer bezig te houden met de beïnvloeding van haar omgeving, dan met de bescherming van de eigen ‘harde’ belangen. De recente militaire interventie in Libië werd door lidstaten officieel gepleegd in naam van de bescherming van de mensenrechten van de bevolking. Over de andere beweegredenen, zoals regimeverandering, controle over de exploitatie van olie, de wapenleveringen en heropbouwcontracten wordt niet gepraat.

Instellingen en procedures. De instellingen en de besluitvormingsprocedures werden regelmatig veranderd omdat lidstaten verkiezen de gemeenschappelijke economische macht te koppelen aan een grotere politieke stem in buitenlandse zaken. Dit veranderingsproces werd versneld door (a) de verwachting dat de EU meer verantwoordelijkheid zou opnemen in haar nabije buitenland, en (b) de noodzaak op een meer effectieve manier het hoofd te bieden aan de vele internationale crisissen.

Hoe dan ook, het zwaartepunt van de buitenlandse politiek van Europa is nationaal gebleven. De Europese Unie neemt alleen initiatieven als het wenselijk is gezamenlijk internationaal op te treden. De hoge vertegenwoordiger, Catherine Ashton, krijgt geen nieuwe bevoegdheden om het EU-optreden naar buiten toe te stroomlijnen en om dubbel werk en verwarring te voorkomen. Zij baseert zich op unanieme besluiten van de 27 EU-leden. Zij vult het buitenlands beleid en de diplomatieke activiteiten van de EU-landen aan; ze neemt ze niet over. Daarvoor beschikt ze over een Europese Dienst voor Extern Optreden met een staf van 1100 personen, een initieel budget van 9.5 miljoen euro en 118 diplomatieke posten. De EU Raad kan op basis van unanimiteit gemeenschappelijke strategieën uitstippelen. De Raad van Externe Betrekkingen, met de ministers van Buitenlandse Zaken van de lidstaten, kan gemeenschappelijke acties of posities goedkeuren om de strategieën uit te voeren. Eén of meer lidstaten kunnen zich onthouden tijdens een stemming en daardoor vermijden een beslissing te blokkeren. Dit is de zgn. constructieve onthoudingsclausule. Het verkrijgen van unanimiteit voor beslissingen die militaire interventie impliceren is moeilijk. De interventie in Libië werd niet goedgekeurd; de operatie werd uitgevoerd in het kader van de NAVO. De ingrijpende economische sancties t.a.v. Syrië en Iran, met een collectief bestraffinggehalte, werden wel door de Europese Raad goedgekeurd.

Instrumenten voor buitenlandse zaken.

De EU maakt vooral gebruik van diplomatieke en economische instrumenten, maar de laatste jaren wordt, in toenemende mate, het gebruik van militaire middelen overwogen.

De economische instrumenten belonen en bestraffen. Positieve maatregelen zijn: het sluiten van handelsakkoorden, samenwerkingsakkoorden of associatie-akkoorden, het verlenen van leningen of hulp, de verlaging van tarieven of het vergroten van quota. Tot de negatieve maatregelen behoren: embargo’s, boycots, het bevriezen van financiële tegoeden, de vermindering van hulp, en het uitstellen van akkoorden.

De diplomatieke instrumenten omvatten (a) de verlening van diensten, zoals bemiddeling in vredesonderhandelingen of het monitoren van een staakt-het-vuren, (b) beloningen, zoals het ondersteunen van de vraag om lid te worden van een internationale organisatie en diplomatieke erkenning, en (c) bestraffingen, zoals het niet verlenen van reis- of visa formulieren of het opleggen van wapenembargo’s.

Ten slotte zijn er ook een aantal militaire instrumenten. Sinds de Europese Raad in Helsinki in 1999 stuurde de EU verschillende militaire missies naar conflictzones voor politietraining, het verzekeren van de veiligheid tijdens het verkiezingen of om de uitvoering van een vredesakkoord. Dit is het zwakste instrument van de drie; er is een toenemende kloof tussen noden en capaciteiten.

  1. Positieve en negatieve facetten van de EU diplomatie.

De Europese Unie heeft een grote invloed op het internationaal gebeuren. Deze invloed berust op haar status als economische supermacht, en de perceptie van de EU als een civiele supermacht. Het falen van de militarisering van het buitenlands beleid van de Verenigde Staten en bondgenoten in het Midden Oosten, versterkte de aantrekkingskracht van de EU diplomatie. Anderzijds wordt haar reputatie negatief beïnvloed door de agressieve diplomatieke demarches van Frankrijk en Groot Brittannië in het MENA. De algemene impact op conflicten wordt medebepaald door actief of passief beleid. De oplossing van het Israël-Palestina conflict is een strategische prioriteit voor Europa. De EU stelt dat de kansen van het oplossen van de andere problemen in de regio klein zullen blijven, zolang aan dit conflict geen einde komt. Maar de passieve EU aanpak van het conflict heeft de oplossing ervan bemoeilijkt en bijgedragen tot de toenemende instabiliteit van de regio.

De positieve en negatieve verhalen over de buitenlandse politiek van de EU verwijzen naar andere facetten van het beleid. De positieve perceptie heeft betrekking op de inspirerende en hoopgevende impact van:

  1. de succesvolle transformatie van een langdurig gewapend conflict. Sinds 1945 speelde de EU een innoverende en constructieve rol in de opbouw van duurzame vrede op het Europees continent. Voor 1945, startte Europa twee wereldoorlogen, cultiveerde fascistische regimes, organiseerde genocide op industriële schaal en koloniseerde de helft van de wereld. Na 1945 besloten de aartsvijanden rond de tafel te gaan zitten en het oude paradigma in te ruilen voor een nieuw ‘Europese Gemeenschap’ paradigma, gekenmerkt door een inclusief nationalisme, meerdere loyaliteiten, een Europees wij-gevoel, een sociaal-vrije markt systeem, coöperatieve veiligheid en het einde van kolonialisme.
  2. de creatie van een veiligheidsgemeenschap; het meest kosteneffectief systeem om veiligheid te garanderen. Binnen de EU-grenzen werden de noodzakelijke voorwaarden gecreëerd voor duurzame vrede en veiligheid. Richard Cohen en Michael Mihalka stellen het huidige Europees veiligheidsbeleid voor als het resultaat van inspanningen binnen vier concentrische cirkels m.b.t. (a) de persoonlijke veiligheid; de human security van de burgers. De EU draagt bij tot een verhoging van het fysieke, socio-economische en politieke milieu, en de gezondheidstoestand van de burgers, (b) de collectieve veiligheid van de lidstaten t.a.v. interne dreigingen. Het lidmaatschap van de NAVO en het Europees veiligheids- en defensiebeleid voorkomen het gebruik van geweld binnen de grenzen van Europa, (c) de collectieve defensie t.a.v. mogelijke externe dreigingen, (d) de stabilisatie van het nabije buitenland door conflictpreventie en de bevordering van samenwerking.
  3. de uitbreiding van de Europese Gemeenschap van 6 tot 28, en de transitiehulp voor kandidaat lidstaten. De EU is geen exclusieve club. Het is een gemeenschap die openstaat voor nieuwe lidstaten die aan bepaalde politieke en economische voorwaarden voldoen. De weerstand tegen de opname van Turkije wordt toegeschreven aan culturele en geopolitieke overwegingen. De grootte van de bevolking is vergelijkbaar met Duitsland en het land bevindt zich in een onstabiele regio.
  4. de EU als een aantrekkelijk rolmodel voor regionale samenwerking en integratie. De zachte macht van de EU berust vooral op de voorbeeldfunctie en de internationale uitstraling van haar intern beleid. De EU werd, tot voor kort, gezien als een civiele-civiliserende macht, eerder dan als een machtsblok. De recente militaire demarches en dwangdiplomatie van Frankrijk en Groot Brittannië t.a.v. Libië, Syrië en Iran dreigen dat beeld aan te tasten.

De negatieve percepties van de EU-diplomatie verwijzen naar:

  • (a) de weinig succesvolle inspanningen voor conflictpreventie buiten de actuele of imaginaire grenzen van de EU. Europa was niet in staat om de gewelddadige desintegratie van Joegoslavië te voorkomen, de gewezen kolonies op een effectieve manier bij te staan in hun ontwikkelingsproces en duurzame vrede te helpen stichten in het Midden Oosten. Ondanks de pleidooien voor proactieve geweldpreventie, blijven de inspanningen in het Midden Oosten overwegend van reactieve aard. De meeste aandacht gaat naar de symptomen (terrorisme) en niet naar de grondoorzaken (het Israël-Palestina conflict, de steun aan de olierijke repressieve autoritaire regimes en de sterk toegenomen Westerse militaire aanwezigheid in de regio).
  • (b) de dwangdiplomatie en de militarisering van het mensenrechten- en democratiebeleid. Sarkozy en Cameron, beiden uitgesproken neoconservatieve Atlanticisten, hebben bijgedragen tot de militarisering van conflictbeheersing in het MENA. Hun buitenlands beleid in het MENA vertoont meer en meer kenmerken van een militant diplomatiek regime. Jo Hagen onderscheidt in buitenlandse zaken: gematigde, pragmatische, militante en radicale diplomatieke regimes. Gematigde diplomatieke regimes beschouwen de internationale omgeving niet noodzakelijk als vijandig of bedreigend. Conflicten tussen staten gaan over specifieke kwesties en belangen, de tegenpartijen worden als normale actoren aangesproken en er wordt via onderhandelingen gezocht naar wederzijdse voordelige oplossingen. Pragmatische diplomatieke regimes beschouwen het internationaal systeem als een gevaarlijke dreigende omgeving. Ze hanteren een relatief beheerste en complexe analyse van de gevaren. De tegenstanders hebben beperkte doelstellingen en machtsmiddelen. Dit creëert ruimte voor diplomatie. Hoewel confrontatie niet wordt uitgesloten, vertonen pragmatische regimes voldoende flexibiliteit om op een constructieve manier om te gaan met bedreigingen. Militante diplomatieke regimes zien het internationaal systeem als vijandig en de interactie met tegenstanders als een zero-sum relatie. Het beeld van de tegenstander sluit elke vorm van normale diplomatie uit. De voorkeur gaat uit naar dwangdiplomatie en het gebruik van diplomatieke, economische en militaire druk. De confrontatie wordt echter binnen de perken gehouden door de perceptie van de tegenpartij als een rationele besluitvormer en respect voor het internationaal recht. Ten slotte, stelt een radicaal diplomatiek regime de tegenpartij voor als ‘kwaadaardige (evil) actoren die de overlevingskansen van hun land bedreigen’. Onderhandelingen en defensieve maatregelen hebben geen zin meer. De voorkeur gaat uit naar het oproepen tot een morele kruisvaart tegen de vijand, het plannen van offensieve interventies en indien nodig het negeren van internationale normen om hun doel te bereiken.
  • De buitenlandse politiek van de EU is overwegend gematigd en pragmatisch. Dit beeld komt meer en meer in het gedrang door het Franse en Britse beleid t.a.v. Libië, Syrië en Iran dat zich bevindt tussen militante en radicale diplomatie; het zal bijdragen tot nieuwe en grotere spanningen in de regio. Het beleid van onze bondgenoot ‘Israel’ is onversneden radicaal. De niet-aflatende inspanningen van Netanjahuh beogen de Westerse bondgenoten mee te slepen in dit weinig gesofistikeerde ‘zondebokken’ beleid. De opbouw van de hysterie t.a.v. Iran, de laatste zondebok in de regio, is ronduit onverantwoord, contraproductief en gevaarlijk.
  • (c) het contrast tussen de declaratoire beweegreden voor de militaire interventies en niet-militaire druk in het MENA (de bescherming van mensenrechten en de steun voor democratie en vrijheid) en het gedrag van de interveniërende staten. Mensenrechten –en niet langer vrede– zijn het nieuwe visitekaartje geworden van interventie en dwangdiplomatie. De dubbele standaarden en het dissonant gedrag, ondermijnen de geloofwaardigheid van dit ethisch hoogstaand beleid. Er is, bijvoorbeeld, de steun aan de olierijke autoritaire en repressieve regimes in de Perzische Golf, het niet effectief afkeuren en/of sanctioneren van het repressieve en irredentisch beleid van Israël buiten haar internationaal erkende grenzen van 1967, het verzet tegen de democratisering van globale internationale instellingen en het nastreven van andere belangen, zoals de controle over de toevoer en prijs van olie en gas, het testen en verkopen van nieuwe wapensystemen, het herstellen van de vernielde infrastructuur en de lucratieve contracten voor specialisten in mensenrechten, heropbouw en democratisering.
  • (d) de gebrekkige transparantie van de besluitvorming m.b.t. buitenlandse zaken, het lage democratisch gehalte en de disproportionele invloed van belangengroepen. Eén van de taboes en minst onderzochte gebieden in de vergelijkende studie van de buitenlandse politiek, is de invloed van lobbies, informele netwerken en geheime diensten. Het huidige beleid van het Westen in het MENA komt meer tegemoet aan particuliere belangen dan aan nationale of EU-belangen. De interventies worden meestal voorgesteld als gedragen door de Amerikaanse bevolking, de Europese lidstaten, het Westen, de Arabische Liga en de internationale gemeenschap. In de meeste gevallen is het een pauwenstaartconsensus die groter lijkt dan de drager ervan. De harde interventies in het MENA zijn meestal het resultaat van demarches van één of meerdere grote staten die het initiatief nemen en via onderhandelingen, met behulp van compensaties of het dreigen met sancties, de andere lidstaten overhalen om het initiatief goed te keuren.
  • (e) het weinig succesvolle politiek en economisch ontwikkelingsbeleid in de derde wereld; vooral in Afrika. Het ontwikkelingsbeleid in Afrika leverde, zoals verwacht, geen stabiele staten met goed bestuur en een klimaat voor economische ontwikkeling op. Het gebrek aan succes weerspiegelt zich (a) in de perceptie van China en vooral van Zuid-Korea als alternatieve ontwikkelingsmodellen, en (b) de kritiek van Afrikaanse analisten, zoals Dambisa Moyo. In haar boek ‘Dead aid’, roept ze Afrika op om haar ontwikkeling in eigen handen nemen. Het Westen moet eens stoppen met denken dat het beter weet wat in Afrika moet gebeuren.
  • (f) de ontoereikende organisatie van een Europees defensie en veiligheidsbeleid. De EU beschikt over een vlugge interventiemacht van 60.000 militairen die snel en minstens voor een jaar ingezet kan worden. Voor grote operaties, dient nog altijd beroep gedaan te worden op de NAVO en de Verenigde Staten. Europa staat op de tweede plaats in de wereld qua defensie-uitgaven, maar dient nog een lange weg af te leggen om die inspanningen op een kosteneffectieve manier om te zetten in een effectief militair instrument voor defensie en conflictpreventie. Johan Coelmont, beklemtoont de dringende behoefte aan een permanente, gestructureerde defensiesamenwerking en betere pooling (gezamenlijk middelen aankopen en opereren) en sharing (capaciteiten delen).
  1. Conclusies

Er is behoefte aan meer professionele en gesofistikeerde diplomatie om het hoofd te bieden aan de megacrisis waarmee de wereld wordt geconfronteerd. Het Westen opteerde echter voor het tegenovergestelde: dwangdiplomatie en militaire interventies. In het eerste decennium van de 21ste eeuw werden alle oorlogen gevoerd door democratische staten. De dwangdiplomatie en militaire interventies in het Midden Oosten en Noord Afrika (Libanon, Palestina, Afghanistan, Irak en Libië) leidde echter niet tot duurzame vrede en veiligheid, maar resulteerde in veel leed, destructie en een onstabiele regio. Dit is een mislukt buitenlands beleid (failed foreign policy). Wat is de rol van de EU? De invloed van de EU-diplomatie op internationale betrekkingen is zeer groot. De positieve impact berust vooral op de voorbeeldfunctie van de Europese integratie. De EU is en blijft een inspirerend en hoopgevend rolmodel. Bovendien is de diplomatieke stijl van de EU overwegend gematigd en pragmatisch. De positieve impact van de EU wordt afgezwakt door o.a. de weinig succesvolle geweldpreventie buiten de EU-grenzen, het overmatig gebruik van dwangdiplomatie in het MENA, de dubbele standaarden in de promotie van mensenrechten en democratie en geringe doorzichtigheid en het democratisch deficit van de besluitvorming. Om de positieve rol van de EU in de wereld te versterken moet de EU (1) zich volledig inzetten om het EU integratieproces succesvol en duurzaam te maken, (2) haar gematigde en pragmatische diplomatie versterken en niet laten sturen door de militante diplomatie van Sarkozy en Cameron in het MENA. De radicale diplomatie van Netanjahuh, een bondgenoot, dient te worden afgewezen als gevaarlijk en contraproductief. Het al of niet bijdragen tot een duurzame vrede en veiligheid in het MENA is de lakmoestest van de EU diplomatie.

Luc Reychler

14.03.2012

Voor verdere uitdieping van diplomatiek kwesties zie de blog van Luc Reychler http://www.lucreychler.com

Gepubliceerd in ‘Streven’ Mei 2012

Full text –>

Macht, mensenrechten en R2P

Macht, mensenrechten en R2P

Luc Reychler

_______________________________________________

De omarming van het Responsibility to Protect beginsel door de VN in 2005 was een belangrijke en lovenswaardige stap in de evolutie van mensenrechten. De ‘succesvolle’ gewapende interventie in Libië heeft de toekomst van R2P inspanningen in de wereld sterk gehypothekeerd en de conflictdynamiek in Syrië negatief beïnvloed. Geweldpreventie en een tijdige aanpak van de grondoorzaken van conflicten is menselijker en kosteffectiever.

____________________________________________________

  1. Vernieuwingen in het Internationaal recht.

Na de Koude oorlog werd het traditioneel internationaal recht aangepast om op een meer effectieve manier gewelddadige conflicten te voorkomen (conflict preventie) en de individuele veiligheid van de burgers te verhogen (human security). In de toekomst zouden meer inspanningen worden gedaan om tijdig de escalatie van conflicten voorkomen door de grondoorzaken ervan aan de kaak te stellen en te remediëren. De soevereine staten werden niet alleen verantwoordelijk gesteld voor de externe, maar ook voor de interne veiligheid van hun burgers. Indien niet zal de internationale gemeenschap haar verantwoordelijkheid opnemen om grove schendingen van de mensenrechten to stoppen of te voorkomen.

  1. Menselijke veiligheid en R2P

In de meeste landen van de EU werden departementen gecreëerd voor conflictpreventie en vredesopbouw. In 2000 richtte de Canadese eerste minister Crétien een internationale commissie op over interventie en Staatssoevereiniteit (ICISS). Het rapport werd in de VN gebruikt om te debatteren over de Responsibility to Protect (R2P).

Het belicht drie facetten van de internationale verantwoordelijkheid om burgers te beschermen tegen massale wreedheden: (1) het voorkomen ervan door de grondoorzaken van interne conflicten op een proactieve manier aan te pakken; (2) het reageren op wreedheden met passende maatregelen zoals het opleggen van sancties, internationale vervolging en in extremis militaire interventie; en (3) het verlenen van assistentie voor heropbouw, herstel en verzoening.

Om R2P te realiseren is een wijde waaier van instrumenten beschikbaar. Sommige, zoals het bevorderen van economische ontwikkeling, goed bestuur en mensenrechten, beogen effecten op lange termijn. Andere, zoals preventieve diplomatie, sancties en internationale strafvervolging, streven korte termijn effecten na. Militaire interventies voorzien worden beschouwd als uiterste maatregel, als is vastgesteld dat een regering niet in staat is om mensen te beschermen en als alle vreedzame middelen hebben gefaald.

De commissie stelde vijf voorwaarden vast waaraan militaire interventies dienen te voldoen.

  • De ernst van de dreiging: (a) een groot verlies van levens, feitelijk of verwacht, met genocidale of niet genocidale intenties, ten gevolge van een doelbewust beleid, verwaarlozing of het falen van een staat, (b) grootschalige ‘etnische zuiveringen, feitelijk of verwacht, veroorzaakt door moord, gedwongen verplaatsing, terreur of verkrachting.
  • Het juiste motief. De belangrijkste doelstelling moet het stopzetten of voorkomen van menselijk leed zijn. Dit wordt het best verzekerd door de steun van de regionale opinie en van de slachtoffers.
  • De laatste optie. Militaire interventie kan alleen wanneer alle andere middelen op een ernstige manier werden overwogen en getoetst, maar geen resultaten werden bekomen.
  • Proportionaliteit. De schaal, duur en intensiteit van het geplande militaire geweld mag het noodzakelijk minimum niet overstijgen om de beoogde humanitaire objectieven te realiseren.
  • Een redelijke verwachting van succes. Er moeten redelijke kansen zijn dat het kwaad wordt voorkomen of gestopt, en de gevolgen van de interventie mogen niet slechter zijn dan de gevolgen van het niet tussenkomen.      
  1. Geweld voor mensenrechten.

De goedkeuring van het R2P beginsel door de Verenigde Naties in 2005 was een godsgeschenk voor gouvernementele en niet-gouvernementele actoren die burgers willen beschermen tegen massale wreedheden. In 2006 aanvaardde de VN Veiligheidsraad dat humanitaire interventies, onder bepaalde voorwaarden, konden aangewend worden om met gewapend geweld de naleving van dit beginsel af te dwingen (Resolutie 1674). Deze ontwikkelingen werden, in belangrijke mate, aangepord door het Westen dat meer en meer gebruik maakte van dwangdiplomatie en militaire interventies in het Midden Oosten en Noord Afrika. Deze eeuw werden alle oorlogen in het MENA gevoerd door democratische landen (Libanon, Irak, Afghanistan, Gaza, Libië, Pakistan). Om de aandacht van de betwistbare en niet succesvolle interventies af te leiden en de hegemonie over het MENA te versterken, werd gezocht naar nieuwe interventiemethoden die minder duur en riskant waren en legitiemer oogden.

  1. De triomfantelijke interventie in Libië.

De operatie dageraad in Libië werd bejubeld als een succesvolle humanitaire interventie. Aan het geanticipeerde bloedvergieten werd een einde gemaakt, Kadhafi werd gelyncht, het prijskaartje was redelijk en er vielen weinig of geen slachtoffers bij de geallieerden. Bemande en onbemande vliegtuigen bombardeerden met grote precisie; het vuile werk op het terrein werd geleverd door lokale milities, bevriende legers, privéfirma’s en eigen speciale eenheden die clandestien opereerden. De interventie werd gelegitimeerd door haar humanitair karakter en de steun van de internationale gemeenschap.

Niettegenstaande de loftrompetten van de NAVO, Sarkozy, Cameron en consorten was het kostenplaatje zeer hoog. Een oorlog is afschuwelijk; hem escaleren om menselijk leed te beperken is een uitermate dissonante gebeurtenis, vooral voor de slachtoffers ter plaatse. De vernieling van de infrastructuur was groot en het aantal doden en gekwetsten wordt op 30.000 en 50.000 geschat, in de buurlanden bevinden zich kampen met duizenden vluchtelingen, wapens vielen in de handen van milities en kwamen ook terecht in buurlanden. Het land werd achtergelaten als een zwakke, onstabiele staat.

De interventie in Libië heeft de toekomst van R2P en van de vrede en veiligheid sterk gehypothekeerd en de conflictdynamiek in Syrië negatief beïnvloed. Vooreerst omdat de ‘coalitie van de welwillenden’ van de vage definities in resolutie 1973 m.b.t. het doel ‘de bescherming van de bevolking’ en de middelen ‘alle noodzakelijke middelen’ gebruik maakten om manu militari een regimeverandering te forceren en andere agenda’s, in naam van humanitaire motieven, te realiseren. Dit versterkte het wantrouwen van Rusland, China en Afrikaanse landen t.a.v. de militarisering van R2P. Bovendien werden de vijf voorwaarden voor het gebruik van gewapende militaire interventie onvoldoende gerespecteerd.

Criteria Argumenten ‘coalitie van welwillenden’ Argumenten van kritische andersdenkenden
  1. Aanvaardbare gronden/de ernst van de dreiging.
  • Het voorkomen van een tweede Srebrenica, Rwanda of stromen van bloed.
  • Het hypothetische aantal doden is sterk overdreven
  • Andere doelstellingen, zoals het omverwerpen van het regime en het verkrijgen van een betere economische en geopolitieke controle over dit olierijke land worden verzwegen.
  • Een breedbeeld analyse toont dat het Westen hegemonie tracht af te dwingen in de ganse regio en daarvoor op een systematische manier alle tegenstanders tracht te neutraliseren. Indien het in Syrië lukt, blijft Iran nog over.
  1. De juiste intenties
  • De wereld/de internationale gemeenschap (VN, VS, EU, Arabische Liga, Afrikaanse Unie) staat achter deze operatie.
  • Het merendeel van de Libische bevolking zou een gewapende regimeverandering verwelkomen
  • In België stemden alle partijen in parlement voor de deelname aan de oorlog. De besluitvorming was democratisch.
  • De zgn. ‘internationale steun’ wordt overdreven.
  • Aanvankelijk was de internationale steun voor de bescherming van de kwetsbare bevolking hoog, maar die brokkelde af toen een regime- verandering werd nagestreefd.
  • In de VN Veiligheidsraad, zijn drie van de vijf permanente leden NAVO landen; dit is geen democratisch besluitvormingsorgaan.
  • De gewapende interventie was vooral het werk van enkele leidinggevende staten.
  • Betrouwbare gegevens over de houding van de publieke opinie t.a.v. de gewelddadige omverwerping van het regime zijn er niet. Het zou nuttig zijn te weten hoe de Libische bevolking en vluchtelingen nu de gewapende interventie en de uitkomst ervan evalueert?
  • De Belgische beslissing om deel te nemen aan de oorlog wordt genomen door een regering van lopende zaken. Het parlementaire debat is kort en oppervlakkig.
  1. Laatste optie
  • Al vroeg in het conflict werden onderhandelingen met Kadhafi als ongewenst en als tijdverlies afgedaan
  • De  kernstaten van de coalitie waren ervan overtuigd dat het regime alleen met geweld kon worden verwijderd.
  • De coalitie (vooral Sarkozy, Cameron, de VS, Qatar en Saudi Arabië ) heeft de onderhandelingen met het regime onvoldoende kansen gegeven. De onderhandelings- voorstellen van de Afrikaanse Unie en Turkije werden van tafel geveegd.
  • Vanaf het begin werd geopteerd voor een militaire oplossing.
  • Er was geen proactieve conflict-preventie
  1. Proportionaliteit doel en middelen
  • Er werd gebruik gemaakt van precisiewapens met weinig collateraal geweld
  • Er vielen weinig of geen slachtoffers bij de geallieerden
  • Zonder interventie zou er meer bloed zijn verspild.
  • De vakantieplannen van de Belgen werden tijdens de oorlog niet verstoord.
  • Enorme vernieling
  • 30.000 doden
  • Het land werd achtergelaten met gewapende milities
  • Libië werd een zwakke staat
  1. Redelijke kansen op succes
  • Kansen op succes waren goed: de oorlog was relatief risicovrij voor de geallieerden en de toekomstige controle over Libië zou verbeteren.
  • De definitie van succes van het Westen houdt geen rekening met het feit dat de interventie meer doden veroorzaakte bij de burgers door het escaleren van de oorlog.
  • De negatieve gevolgen van de interventie werden niet voorzien (de hoge mate van vernieling en de vele doden, een zwakke staat met gewapende milities, een vermindering van de menselijke veiligheid, een negatieve impact op toekomstige pogingen om regimes in niet-bevriende staten te veranderen )

     

  1. Het conflict in Syrië

Het grootschalige protest in Syrië is het gevolg van politieke uitsluiting, van kansloze jongeren en een spillover van de Arabische lente. Het is een sterk geïnternationaliseerd binnenlands conflict geworden, met kenmerken van een burgeroorlog en asymmetrische geweldpleging. Het Houla bloedbad is een wraakroepend moment in het escalatieproces. De dynamiek is beïnvloed door de negatieve voorbeeldfunctie van de humanitaire interventie in Libië. Een deel van de oppositie en hun buitenlandse partners dachten aan een succesvolle herhaling van de Libische geweldhantering in Syrië. De Syrische regering trachtte met alle middelen een gelijkaardig scenario te vermijden, en Rusland en China waren wantrouwig en wensten niet meer misleid te worden.

Drie types van  buitenlandse conflicthantering kunnen onderscheiden worden:

Een eerste groep van landen (vooral de leidende landen van het Westen (Frankrijk, Groot Brittannië, de VS, Israel), Qatar en Saudi Arabië), is voorstander van dwangdiplomatie en indien nodig gewapende interventie. De verantwoordelijkheid voor de 12.000 doden wordt exclusief toegeschreven aan Bashar al Assad; hij moet aftreden. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van economische en diplomatieke sancties, het isoleren van het regime, geheime operaties, en het verlenen van niet-militaire of militaire steun aan de oppositie. Militaire interventie, of –zoals Minister Reijnders het onlangs verbloemde– militaire aanwezigheid, is een optie. De voorstelling van het conflict is eenzijdig en onevenwichtig. Aanvankelijk meenden sommige leden van de nieuwe coalition of the willing, ten onrechte, het Libië-scenario met succes te kunnen herhalen in Syrië.

Een tweede groep van landen beklemtoont het belang van het niet-inmenging beginsel in internationale betrekkingen, verleent steun aan de Syrische regering en doet ernstige demarches om via een staakt-het-vuren en onderhandelingen tot een vreedzame oplossing te komen. De Russische minister van Buitenlandse Zaken vertolkt deze aanpak op een voortreffelijke manier. De Russische benadering is nuttig als een tegengewicht tegen het agressief beleid van het Westen en haar bondgenoten in het MENA.

Tenslotte is er de VN-aanpak met o.a. de bemiddeling van Kofi Annan en het zes punten plan, de militaire waarnemers voor het monitoren van de naleving van het staakt-het-vuren en het sturen van een commissie om het Houla bloedbad te onderzoeken. De VN-benadering is moeilijk, maar is het meest belovend. Ze verdienen meer daadwerkelijke steun van alle binnen- en buitenlandse partijen. Aan alle geweld dient een einde te worden gesteld. Alleen inclusieve vredesonderhandelingen waar ook plaats is voor de bredere vreedzame oppositie en niet alleen voor Syrische Nationale Raad (vooral gesteund door de VS en Europa) hebben kans op slagen. Het heeft ook geen zin om, zoals bv. in de International Herald Tribune of The Economist, Iran als de enige buitenlandse spelbreker in Syrië op te voeren. Dit is hypocriet en getuigt niet van gesofistikeerde diplomatieke correspondentie.

Het huidige beleid van het Westen en haar rijke, autoritaire Arabische bondgenoten hypothekeert de toekomst van de R2P. Het beleid is: (a) te selectief. Het spitst zich toe op niet-bevriende Arabische staten; de schendingen van de mensenrechten in Kongo of hongersnood krijgen nauwelijks aandacht, (b) te reactief. Een disproportioneel klein deel van de aandacht en de middelen gaat naar de proactieve preventie van geweld en de aanpak van de grondoorzaken van conflicten, (c) te coërcief. Er wordt overwegend gebruik gemaakt van dwangdiplomatie en directe en/of indirecte militaire interventie, en (d) de mensenrechten worden te eng gedefinieerd. De beperking van mensenrechten tot alleen politiek vrijheid zorgt voor frustratie bij burgers voor wie ze ook welvaart betekenen in de vorm van economische rechtvaardigheid, binnen en tussen staten.

Enkele recente artikelen

Luc Reychler , Europese diplomatie in een onzekere wereld , in Streven Mei  2012.

Luc Reychler , Realistische diplomatie voor Syrië en Iran , in  De Tijd 25 februari 2012

Luc Reychler , Raison ou Déraison d’état , lezing aan de Tsinghua  Universiteit in Bejing December 2011 ( zie speakout papers diplomaticthinking.com )

Luc Reychler

Em. Prof. KU. Leuven (F. Harvard 76): internationale betrekkingen: conflict en vredesonderzoek, strategie en veiligheid, en multilaterale onderhandelingen en bemiddeling. Hij was secretaris generaal van de International Peace Research Association en UNESCO chairholder voor Duurzame vredesopbouw en intellectuele solidariteit. Hij schrijft momenteel een boek over de rol van tijd in conflict dynamiek en vredesopbouw met als titel ‘ Time for peace’ en speakout artikels over gevoelige kwesties in internationale betrekkingen (zie blog Luc Reychler http://lucreychler.com ) Luc.reychler@soc.kuleuven.be
Stellingen

  1. De zgn. succesvolle gewapende interventie in Libië heeft de toekomst van R2P inspanningen in de wereld sterk gehypothekeerd en de conflictdynamiek in Syrië negatief beïnvloed. Proactieve geweldpreventie en een tijdige aanpak van de grondoorzaken van conflicten is menselijker en kosteffectiever.
  2. Buitenlandse zaken is het minst transparant en democratisch besluitvormingsproces in de democratische wereld; vooral in de VS, Frankrijk en Groot Brittannië. De Belgische beslissing om mee te doen aan de oorlog in Libië werd genomen door een regering van lopende zaken en kon rekenen op unanieme goedkeuring in het parlement. In de pers verschenen weinig of geen kritische artikelen en de vredesbeweging zweeg. Is dit een voorbeeld van democratie en verantwoordelijkheidszin?  

Discussietekst in het kader van de vredesweek van Pax Christi Vlaanderen in 2012

Full text –>

Time for Peace

The dominant foreign and security policy of the West (Pax Occidentalis) is out of sync.
Spin-doctors are part and parcel of the military interventions and coercive diplomacy.
Adaptive work is urgently needed.
If European peace research wants to remain in the picture, it should provide more critical analysis, audacity, and intellectual- solidarity and fighting.

Peace conferences are times to assess the state of peace. Has the world, during the first ten years of the 21st century, become a more peaceful place? What role has Europe played? What has been the added value of European peace research? Let’s try to answer these questions here.

Index

Full text

Failing foreign policy

The last ten years, the democratic West has fought six wars in the Middle East and
North Africa. These wars have the characteristics of foreign policy failures, resulting
from inadequate violence prevention, a high number of missed opportunities and
unanticipated negative outcomes. FPFs are caused by problems related to interests
and values, analysis, power structures, and policy‐making and leadership. Students
and researchers can help to transform the failing foreign policy into a more
successful foreign policy that furthers our interests in a more constructive way, and
strengthens sustainable peace building in the world. Peace and conflict impact
assessment is a mindset and tool that makes a difference.

Full text

Strategie met toekomst

Het aanslepend conflict tussen Israël en Palestina hypothekeert, in steeds grotere mate, de belangen van het Westen in het Midden Oosten en Noord Afrika( MONA).
De vredesonderhandelingen zijn pseudo-onderhandelingen; ze zijn een voortzetting van dwangdiplomatie.
De oplossing wordt al lang op een zilveren schaal aangeboden door de VN, het Westen en de Arabische Liga.
Amerika en de EU staten dienen een punt te zetten achter het gedoogbeleid t.a.v. irredentisme en segregatie.

De recente politieke omwentelingen in het Midden Oosten zijn adembenemend. Het gevoel van machteloosheid en vernedering maakt plaats voor protest en de wil van de burgers om welvaart, democratie en respect af te dwingen. Het Westen kan zich verheugen, maar moet dringend haar beleid ten aanzien van deze regio herzien. Het huidige strategische denken is contraproductief en achterlijk. Er worden nu wel diplomatieke inspanningen ondernomen om de schade te beperken, maar hiermee worden de vele wanklanken (dissonanties) niet verwijderd. Zo is er de jarenlange steunverlening aan bevriende autoritaire regimes tot op het laatste moment. Niet bevriende democratisch verkozen partijen werden als paria’s behandeld en er wordt geen verzet aangetekend tegen de illegale bezetting van de Palestijnse Gebieden en de segregatie van de Palestijnse bevolking; Lieberman wenst zelfs een staat exclusief voor Joden. Deze regio is tot slot het grootste afzetgebied voor gesofistikeerd wapentuig. De internationale toeschouwer ervaart een grote mate van cognitieve dissonantie. De wisselkoers van militaire macht en dwangdiplomatie is sterk gedaald. De kosten van de geweldloze regimeverandering blijken beduidend lager dan de met militaire macht opgelegde regimes zoals in Irak en Afghanistan. Het Westen, en vooral de EU, doet er goed aan (a) zich niet negatief te mengen in het democratiseringsproces in het Midden Oosten en (b) haar beleid ten aanzien van Israël en Palestina grondig bij te sturen. Op korte termijn betekent dit orde op zaken stellen in Israël. Journalist Robert Fisk observeert terecht dat de wereld rondom Israël verandert; Israël niet. Het zou de democratische revoluties moeten omarmen in plaats van nieuwe kolonies te bouwen. Om een nieuw beleid te krijgen heeft Israël een sociale revolutie nodig. Bovendien moet het Westen in 2011 de soevereiniteit van Palestina erkennen, de nieuwe staat voorzien van ontwikkelingskansen en de veiligheid van Israël en Palestina garanderen. Deze vredesformule wordt al lang op een zilveren schaaltje door de VN, het Westen en de Arabische Liga aangeboden. Een dergelijk royaal aanbod kan men niet langer negeren. Het is een laatste kans.

Full text

Intellectual solidarity, peace and psychological walls

Today’s international landscape is full of mental or senti-mental walls, which stand in the way of sustainable peace building.
The academic freedom of conflict and peace researchers is curtailed by forces outside and inside universities and think thanks.
Epistemic violence is the active or passive inhibition of knowledge and knowhow that could be used for international cooperation and sustainable peace building.
Intellectuals must join forces and strengthen intellectual solidarity to fight the gods of conformity, apathy, hubris, fear, despair, unsustainable growth and exploitative power.

To deal with the interlocking crises in the 21st century, drastic changes in the human behavior are needed . The building of sustainable peace is sine qua non. Many people however (especially in the rich countries) still take peace for granted because they fail to understand what sustains it.

The re-search community has a key responsibility. It needs to address sensitive issues and strengthen intellectual solidarity. Intellectuals should express themselves more on issues of public concern and be more active in the new ‘forum humanum’. Reflecting on the controversies in the domestic or international environment, the public intellectuals may express their dissatisfaction with the existing state of their country, region or of the international system and seek to steer the society into better alternative futures.

Efforts are needed to stop the debilitating impact of the political and academic environment (academization, specialization, reductionism, methodological fundamentalism ,etc) on the independence of intellectuals, drastic changes in the

In all fields of study, role models of public intellectuals, should be studied. In ‘The economic consequences of peace ‘ , the economist Keynes was prescient and warned the decision-makers of the negative consequences of a revengeful peace . He had the capacity for mischief39. Barbara Tuchman, a historian, highlighted, on the base of case studies, the phenomenon of governmental follies or the pursuit of policy of contrary to the self-interest of the constituency or state involved. Jared Diamond, a scholar of many disciplines, including physiology, ecology and anthropology, pointed out the reasons why in history societies chose to fail or succeed. Another example of a role model is Jürgen Habermas , who recently commented on the debate in Germany about the Islam , the ‘ Leitkultur’ and the claim that Judeo-Christian tradition distinguishes us from the foreigners.

Intellectuals must join forces and strengthen intellectual solidarity to fight the actual gods of our time –the god of conformity, as well as the gods of apathy, hubris, fear, despair, unsustainable growth and exploitative power40. They should lead from the future and help people to develop a deeper awareness of the dynamics of change. This requires, according to O.Scharmer, the intelligences of an open mind, open heart and open will. An open mind is needed to recognize our own taken-for-granted assumptions and to start to see things that were not evident before. Premature judgment inhibits open mindedness. An open heart allows a deeper level of attention, one that allows people to step outside their traditional experience and feel or sensing beyond the mind. Cynicism stands in its way. An open will implies a readiness to let go dysfunctional relations or systems, and to create a country or world that could survive in the future-and only together could this be done41. Fear closes the way to an open will.

Index

Full text

The power of intellectual solidarity

Without sustainable peace building, it will be close to impossible to prevent and resolve the interlocking crises in the 21st century.
Intellectual solidarity is of vital importance; it’s necessary to reduce and eradicate epistemic violence.
Epistemic violence is furthered by: (1) the existence of a rough and unleveled playing field, (2) a reductionist research process, (3) gaps in the research, and (4) efforts to block critical research and restrain academic freedom.

Each century has its up’s and downs, its crises and achievements. The 21st century will be very different. First, because of the relentless ongoing globalization of trade, financial transactions, information and communication and of awareness. The increasing global awareness gives raise to clashes between different perceptions and feelings and to changes in the global political- psychological climate. The relative deprivation and the double standards cause considerable tension. A deeper understanding of international relations demands more attention to these soft realities. Dominique Moïsi , for example ‘ points to three emotions that characterize today’s international landscape : hope in Asia; fear in the West, and humiliation in the Muslim community. Second, we are confronted with several interlocking crises, which could transform into a mega crisis. They relate to competition over resources , weapons of mass destruction , terrorism and anti-terrorism , militarism and weaponisation , financial transactions , population , food shortages , climate change , water, and the marginalization of the majority . The lack of sufficient international cooperation and of good governance at the global level make the prevention and management of a mega crisis very difficult. Third, it is becoming clear that there are limits to growth, warfare, aid, free market, liberal democracy and to scientific analysis. It took decennia before the message of the Club of Rome was put on the political agenda. The limits of warfare to remove unfriendly regimes and control energy and water resources are now patently obvious in Iraq, Afghanistan and Palestine. These wars are fought by rich and powerful democracies. The latest financial debacle exposed the defects of an uncontrolled free market. The imposition of liberal democracy on the third world contributed to weak and failed states, anocracy, instability and internal violence. The limits of scientific research will be discussed later in this paper.

Index

Full text