Macht, mensenrechten en R2P

Macht, mensenrechten en R2P

De omarming van het ‘Responsibility to Protect’ (R2P) beginsel door de VN in 2005 was een belangrijke en lovenswaardige stap in de evolutie van mensenrechten. De ‘succesvolle’ gewapende interventie in Libië heeft de toekomst van R2P inspanningen in de wereld sterk gehypothekeerd en de conflictdynamiek in Syrië negatief beïnvloed. Geweldpreventie en een tijdige aanpak van de grondoorzaken van conflicten is menselijker en kosteffectiever.

  1. Vernieuwingen in het Internationaal recht.

Na de Koude oorlog werd het traditioneel internationaal recht aangepast om op een meer effectieve manier gewelddadige conflicten te voorkomen (conflictpreventie) en de individuele veiligheid van de burgers te verhogen (human security). In de toekomst zouden meer inspanningen worden gedaan om tijdig de escalatie van conflicten voorkomen door de grondoorzaken ervan aan de kaak te stellen en te remediëren. De soevereine staten werden niet alleen verantwoordelijk gesteld voor de externe, maar ook voor de interne veiligheid van hun burgers. Indien niet zal de internationale gemeenschap haar verantwoordelijkheid opnemen om grove schendingen van de mensenrechten to stoppen of te voorkomen.

  1. Menselijke veiligheid en R2P

In de meeste landen van de EU werden departementen gecreëerd voor conflictpreventie en vredesopbouw. In 2000 richtte de Canadese eerste minister, Crétien, een internationale commissie op over interventie en Staatssoevereiniteit (ICISS). Het rapport werd in de VN gebruikt om te debatteren over de Responsibility to Protect.

Het belicht drie facetten van de internationale verantwoordelijkheid om burgers te beschermen tegen massale wreedheden: (1) het voorkomen ervan door de grondoorzaken van interne conflicten op een proactieve manier aan te pakken, (2); het reageren op wreedheden met passende maatregelen zoals het opleggen van sancties, internationale vervolging en in extremis militaire interventie; en (3) het verlenen van assistentie voor heropbouw, herstel en verzoening.

Om R2P te realiseren is er een wijde waaier van instrumenten beschikbaar. Sommige, zoals het bevorderen van economische ontwikkeling, goed bestuur en mensenrechten, beogen effecten op lange termijn. Andere, zoals preventieve diplomatie, sancties en internationale strafvervolging, streven korte termijn effecten na. Nadat is vastgesteld dat een regering niet in staat is om mensen te beschermen en als alle vreedzame middelen hebben gefaald, worden militaire interventies als uiterste middel voorzien.

De commissie stelde vijf voorwaarden vast waaraan militaire interventies dienen te voldoen.

  • De ernst van de dreiging: (a) een groot verlies van levens, feitelijk of verwacht, met genocidale of niet-genocidale intenties, ten gevolge van een doelbewust beleid, verwaarlozing of het falen van een staat, (b) grootschalige ‘etnische zuiveringen’, feitelijk of verwacht, veroorzaakt door moord, gedwongen verplaatsing, terreur of verkrachting.
  • Het juiste motief. De belangrijkste doelstelling moet het stopzetten of voorkomen van menselijk leed zijn. Dit wordt het best verzekerd door de steun van de regionale opinie en van de slachtoffers.
  • De laatste optie. Militaire interventie is alleen mogelijk als alle andere middelen op een ernstige manier werden overwogen en getoetst, maar zonder resultaat.
  • De schaal, duur en intensiteit van het geplande militair geweld mag het noodzakelijke minimum niet overstijgen om de beoogde humanitaire objectieven te realiseren.
  • Een redelijke verwachting van succes. Er moeten redelijke kansen zijn dat het kwaad voorkomen of gestopt wordt, en de gevolgen van de interventie mogen niet slechter zijn dan de gevolgen van het niet-tussenkomen.

 

  1. Geweld voor mensenrechten.

De goedkeuring van het Responsibility to Protect beginsel door de Verenigde Naties in 2005 was een godsgeschenk voor gouvernementele en niet-gouvernementele actoren die burgers wilden beschermen tegen massale wreedheden. In 2006 aanvaardde de VN Veiligheidsraad dat humanitaire interventies, onder bepaalde voorwaarden, konden aangewend worden om met gewapend geweld de naleving van dit beginsel af te dwingen(Resolutie 1674). Deze ontwikkelingen werden, in belangrijke mate, aangepord door het Westen dat meer en meer gebruik maakte van dwangdiplomatie en militaire interventies in het Midden Oosten en Noord Afrika. Deze eeuw werden alle oorlogen in het MENA gevoerd door democratische landen (Libanon, Irak, Afghanistan, Gaza, Libië, Pakistan). Om de aandacht van de betwistbare en niet-succesvolle interventies af te leiden en de hegemonie over het MENA te versterken, werd gezocht naar nieuwe interventiemethoden die minder duur en riskant waren en legitiemer oogden.

  1. De triomfantelijke interventie in Libië.

De operatie dageraad in Libië werd bejubeld als een succesvolle humanitaire interventie. Aan het geanticipeerde bloedvergieten werd een einde gemaakt en Kadhafi werd gelyncht. Het prijskaartje was redelijk en er vielen weinig of geen slachtoffers bij de geallieerden. Bemande en onbemande vliegtuigen bombardeerden met grote precisie; het vuile werk op het terrein werd geleverd door lokale milities, bevriende legers, privéfirma’s en eigen speciale eenheden die clandestien opereerden. De interventie werd gelegitimeerd door haar humanitair karakter en de steun van de internationale gemeenschap.

Niettegenstaande de loftrompetten van de NAVO, Sarkozy, Cameron en consorten was het kostenplaatje zeer hoog. Een oorlog is afschuwelijk; hem escaleren om menselijk leed te beperken is een uitermate dissonante gebeurtenis, vooral voor de slachtoffers ter plaatse. De vernieling van de infrastructuur was groot en het aantal doden en gekwetsten wordt op 30.000 en 50.000 geschat. In de buurlanden bevinden zich kampen met duizenden vluchtelingen; wapens vielen in de handen van milities en kwamen ook terecht in buurlanden. Het land werd achtergelaten als een zwakke onstabiele staat.

De interventie in Libië heeft de toekomst van R2P en van de vrede en veiligheid sterk gehypothekeerd en de conflictdynamiek in Syrië negatief beïnvloed. Vooreerst omdat de ‘coalitie van de welwillenden’ van de vage definities in resolutie 1973 met betrekking tot (1) het doel: ‘de bescherming van de bevolking’ en (2) de middelen: ‘alle noodzakelijke middelen’, gebruik maakten om manu militari een regimeverandering te forceren en andere agenda’s, in naam van humanitaire motieven, te realiseren. Dit versterkte het wantrouwen van Rusland, China en Afrikaanse landen ten aanzien van de militarisering van R2P. Bovendien werden de vijf voorwaarden voor het gebruik van gewapende militaire interventie onvoldoende gerespecteerd.

Criteria Argumenten ‘coalitie van welwillenden’ Argumenten van kritische andersdenkenden
1.      Aanvaardbare gronden/de ernst van de dreiging. ·         Het voorkomen van een tweede Srebrenica, Rwanda of stromen van bloed. ·         Het hypothetisch aantal doden is sterk overdreven

·         Andere doelstellingen, zoals het omverwerpen van het regime en het verkrijgen van een betere economische en geopolitieke controle over dit olierijke land worden verzwegen.

·         Een breedbeeld analyse toont dat het Westen hegemonie tracht af te dwingen in de ganse regio en daarvoor op een systematische manier alle tegenstanders tracht te neutraliseren. Indien het in Syrië lukt, blijft Iran nog over.

2.      De juiste intenties ·         De wereld/de internationale gemeenschap (VN, Amerika , EU, Arabische Liga, Afrikaanse Unie) staat achter deze operatie.

·         Het merendeel van de Libische bevolking zou de gewapende regimeverandering verwelkomen

·         In België stemden alle partijen in het parlement voor de deelname aan de oorlog. De besluitvorming was democratisch.

·         De zgn. ‘internationale steun’ wordt overdreven.

·         Aanvankelijk was de internationale steun voor de bescherming van de kwetsbare bevolking hoog, maar die brokkelde af toen een regime-verandering werd nagestreefd.

·         In de VN Veiligheidsraad zijn 3/5 van de vijf permanente leden, NAVO landen; dit is geen democratisch besluitvormingsorgaan.

·          De gewapende interventie was vooral het werk van enkele leidinggevende staten.

·         Betrouwbare gegevens over de houding van de publieke opinie, ten aanzien van de gewelddadige omverwerping van het regime, zijn er niet. Het zou nuttig zijn te weten hoe de Libische bevolking en vluchtelingen nu de gewapende interventie en zijn uitkomst evalueert.

·         De Belgische beslissing om mee te doen aan de oorlog wordt genomen door een regering van lopende zaken. Het parlementaire debat is kort en oppervlakkig.

3.      Laatste optie ·         Al vroeg in het conflict werden onderhandelingen met Kadhafi als ongewenst en tijdverlies afgedaan

·         De kernstaten van de coalitie waren ervan overtuigd dat het regime alleen met geweld kon verwijderd worden.

·         De coalitie (vooral Sarkozy, Cameron, de VS, Qatar en Saudi Arabië) heeft de onderhandelingen met het regime onvoldoende kansen gegeven. De onderhandelings-voorstellen van de Afrikaanse Unie en Turkije werden van tafel geveegd.

·         Van bij het begin werd geopteerd voor een militaire oplossing.

·         Er was geen proactieve conflictpreventie

4.      Proportionaliteit doel en middelen ·         Er werd gebruik gemaakt van precisiewapens met weinig collateraal geweld

·         Er vielen weinig of geen slachtoffers bij de geallieerden

·         Zonder interventie zou er meer bloed verspild zijn.

·         De vakantieplannen van de Belgen werden tijdens de oorlog niet verstoord.

·         Enorme vernieling

·         30.000 doden

·         Het land werd achtergelaten met gewapende milities

·         Libië werd een zwakke staat

5.      Redelijke kansen op succes ·         Kansen op succes waren goed: de oorlog was relatief risicovrij voor de geallieerden + de toekomstige controle over Libië zou verbeteren. ·         De definitie van succes van het Westen houdt geen rekening met het feit dat de interventie meer doden veroorzaakte bij de burgers door het escaleren van de oorlog.

·         De negatieve gevolgen van de interventie werden niet voorzien (de hoge mate van vernieling+ doden/ een zwakke staat/de aanwezigheid van gewapende milities/een vermindering van de menselijke veiligheid/de negatieve impact op toekomstige pogingen om regimes in niet-bevriende staten te veranderen).

 

  1. Het conflict in Syrië

Het grootschalig protest in Syrië is het gevolg van politieke uitsluiting; van kansloze jongeren en een spillover van de Arabische lente. Het is een sterk geïnternationaliseerd binnenlands conflict geworden, met kenmerken van een burgeroorlog en asymmetrische geweldpleging. Het Houla-bloedbad is een wraakroepend moment in het escalatieproces. De dynamiek is beïnvloed door de negatieve voorbeeldfunctie van de humanitaire interventie in Libië. Een deel van de oppositie in Syrie en hun buitenlandse partners hoopten op een herhaling van desuccesvolle Libische revolutie. De Syrische regering trachtte met alle middelen een gelijkaardig scenario te vermijden, en Rusland en China waren wantrouwig en wensten niet meer misleid te worden.

Drie types van buitenlandse conflicthantering kunnen onderscheiden worden:

Een eerste groep van landen (vooral de leidende landen van het Westen, namelijk Frankrijk, Groot Brittannië, de VS, Israel, en Qatar en Saudi Arabië, zijn voorstander van dwangdiplomatie en, indien nodig, gewapende interventie. De verantwoordelijkheid voor de 12.000 doden wordt exclusief toegeschreven aan Bashar al Assad; hij moet aftreden. Daarvoor wordt gebruik gemaakt van economische en diplomatieke sancties, het isoleren van het regime, geheime operaties, en het verlenen van niet-militaire of militaire steun aan de oppositie. Militaire interventie, of zoals Minister Reijnders het onlangs verbloemde als ‘militaire aanwezigheid’, is een optie. De voorstelling van het conflict is eenzijdig en onevenwichtig. Aanvankelijk meenden sommige leden van de nieuwe coalition of the willing, ten onrechte, het Libië scenario met succes te kunnen herhalen in Syrië.

Een tweede groep van landen beklemtoont het belang van het ‘niet-inmenging’ beginsel in internationale betrekkingen, verleent steun aan de Syrische regering en doet ernstige demarches om via een staakt-het-vuren en onderhandelingen tot een vreedzame oplossing te komen. De Russische minister van Buitenlandse zaken vertolkt deze aanpak op een voortreffelijke manier. De Russische benadering is nuttig als een tegengewicht tegen het agressief beleid van het Westen en haar bondgenoten in het MENA.

Tenslotte is er de VN aanpak met o.a. de bemiddeling van Kofi Annan en het ‘zes punten’-plan, de militaire waarnemers voor het monitoren van de naleving van het staakt-het-vuren en het sturen van een commissie om het Houla-bloedbad te onderzoeken. De VN benadering is moeilijk, maar is het meest belovend. Ze verdienen meer daadwerkelijke steun van alle binnen- en buitenlandse partijen. Aan alle geweld dient een einde te worden gesteld. Alleen inclusieve vredesonderhandelingen waar ook plaats is voor de bredere vreedzame oppositie en niet alleen voor de Syrische Nationale Raad (vooral gesteund door de Verenigde Staten en Europa) hebben kans op slagen. Het heeft ook geen zin, zoals bv. in de International Herald Tribune of The Economist, Iran als enige buitenlandse spelbreker in Syrië op te voeren. Dit is hypocriet en getuigt niet van gesofistikeerde diplomatieke correspondentie.

Het huidige beleid van het Westen en haar rijke, autoritaire Arabische bondgenoten hypothekeert de toekomst van de R2P. Het beleid is: (a) te selectief. Het spitst zich toe op niet-bevriende Arabische staten en de schendingen van de mensenrechten in Kongo of de hongersnood krijgen nauwelijks aandacht, (b) te reactief. Een disproportioneel klein deel van de aandacht en middelen gaat naar de proactieve preventie van geweld en de aanpak van de grondoorzaken van conflicten, (c) te coërcief. Er wordt overwegend gebruik gemaakt van dwangdiplomatie en directe en/of indirecte militaire interventie, en (d) de mensenrechten worden te eng gedefinieerd. De beperking van mensenrechten tot alleen politieke vrijheid zorgt voor frustratie bij burgers die mensenrechten breder definiëren en voor wie ze ook welvaart betekenen in de vorm van economische rechtvaardigheid, binnen en tussen staten.

 

Enkele recente artikelen

Luc Reychler, Europese diplomatie in een onzekere wereld. In: Streven, mei 2012.

Luc Reychler, Realistische diplomatie voor Syrië en Iran. In: De Tijd, 25 februari 2012

Luc Reychler, Raison ou Déraison d’état. Lezing aan de Tsinghua Universiteit, Bejing, december 2011 (zie: speakout papers @ http://www.diplomaticthinking.com)

Luc Reychler

Em. Prof. KU Leuven (F. Harvard ‘76): internationale betrekkingen, conflict- en vredesonderzoek, strategie en veiligheid, en multilaterale onderhandelingen en bemiddeling. Hij was secretaris-generaal van de International Peace Research Association en UNESCO chairholder voor ‘Duurzame vredesopbouw en intellectuele solidariteit’. Hij schrijft momenteel een boek over de rol van tijd in conflictdynamiek en vredesopbouw met als titel ‘Time for peace’ en speakout artikels over gevoelige kwesties in internationale betrekkingen (zie: blog Luc Reychler http://www.diplomaticthinking.com) Luc.reychler@soc.kuleuven.be

 

Stellingen

  1. De zgn. succesvolle gewapende interventie in Libië heeft de toekomst van R2P inspanningen in de wereld sterk gehypothekeerd en de conflictdynamiek in Syrië negatief beïnvloed. Proactieve geweldpreventie en een tijdige aanpak van de grondoorzaken van conflicten is menselijker en kosteffectiever.
  2. Buitenlandse zaken is het minst transparante en democratische besluitvormingsproces in de democratische wereld, vooral in de VS, Frankrijk en Groot-Brittannië. De Belgische beslissing om mee te doen aan de oorlog in Libië werd genomen door een regering van lopende zaken en kon rekenen op unanieme goedkeuring in het parlement. In de pers verschenen weinig of geen kritische artikelen en de vredesbeweging zweeg. Is dit een voorbeeld van democratie en verantwoordelijkheidszin?

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *